Buurtgenoot Henry Kloostra is voor velen van de SOOP een oude bekende. En met oud bedoelen we natuurlijk een jarenlang vertrouwd gezicht. Eerst als computerdocent en daarna als consument. En hij is bovendien dol op verhalen en gedichten. Henry heeft toegezegd ons regelmatig één van zijn Zeer Korte Verhalen (ZKV) toe te sturen.

“Ongeveer twee jaren na de oprichting van de SOOP begon ik daar als vrijwilliger Kompjoeterles te geven. Eerst boven, waar zes kompjoeters naast elkander stonden, tegen een blinde muur aan, en je keek de kandidaten tegen hun rug op…

Ook gaf ik mobieltjes-spreekuur, om mensen wat wijzer te maken met dat nieuwe spul. Nu ben ik alleen nog maar consument, en kom drie, vier keer per week, meest in de ochtend, de kranten lezen, en genieten van een bakkie koffie, en zo nu en dan wat kletsen met andere bezoekers.

Ik ben verzot op taal, op verhalen en poëzie, en wat je er mee kunt doen.”

De ZKV’s van Henry kun je lezen op deze pagina na de afbeelding.

ZKV: Miems (2)

Vroeger, jaaa, toen keken we geen TV, we hadden geen kompjoeter, geen auto, we zaten thuis en we speelden spelletjes. Zo ook bij míj thuis. We waren een gezin van negen kinderen. En er werd geschaakt. Mijn oudste broer, Manuel, had meestal de leiding. Hij werd later dan ook drie maal kampioen van Limburg… Ik verloor nogal eens, en kon mij soms redden door zogenaamd naar de WC te moeten, en dan “per ongeluk”, tijdens het opstaan, met mijn knie tegen de onderkant van de tafel te stoten, waardoor alle stukken omvielen, zodat de juiste stelling “helaas” niet meer gerekonstrueerd kon worden…

In de SOOP werd óók geschaakt. Miems Annegarn, toen al 84, was er op donderdag áltijd, en ze was een sterke tegenstander. De eerste keer tegen haar spelend, verloor ik dan ook prompt. Enigszins verontschuldigend, met een blos op haar wangen, deed ze een zet waardoor ineens bleek dat mijn stelling hopeloos werd, en ik alleen nog maar, door sportief mijn koning omver te werpen, op kon geven.

Enige tijd later waagde ik mij weer eens aan een partijtje met Miems. Ik had mij nu terdege voorbereid, en diverse, vaak door haar gespeelde openingen doorgenomen. Niettemin ging het, na enige tijd, weer mis. Miems behaalde voordeel door een onvoldoende gedekt paard van mij te verschalken, en ik voorzag dat ik weer ten onder zou gaan. Tot overmaat van ramp stonden er nu ook nog vijf toeschouwers, waaronder drie geoefende schakers, rond het bord mee te kijken. Ik was aan zet. De spanning was te snijden. Het werd doodstil in de SOOP. De tóch al zachte muziek werd uitgezet. Binnenkomende bezoekers werden fluisterend tot stilte gemaand. Ik werd steeds nerveuzer en zag nog maar één uitweg.

Even naar de WC. Alle stukken vielen om, deels op de grond. Iedereen begon op te rapen en weer korrekt op het bord te zetten… Dat leek echter niet te gaan lukken. Maar zie, ineens bleek dat Miems nóg een bijzondere kwaliteit had. Feilloos dirigeerde ze de pionnen, paarden, lopers, torens, koninginnen en koningen naar de juiste plaatsen, en ik kon niet anders dan toegeven dat de stelling van zo-even weer op het bord stond. “Ga eerst maar even plassen,” zei Miems tegen me, “dan ben je er weer klaar voor.”

Ik gíng. Ik hoéfde niet, maar ik gíng. Daarna duurde de partij niet lang meer. Miems maakte me ín, met een blos op haar wangen. Mij restte slechts een licht gevoel van schaamte. Ik legde mijn koning om en wenste haar van harte geluk. En trakteerde haar op een rode Martini.

Goede schakers plassen niet, weet ik nu.

ZKV: Vrouwenbesnijdenis (1)

In een ontmoetingsruimte voor ouderen, de SOOP, aan de Nieuwe Kerkstraat lees ik de krant. Naast mij aan de leestafel zitten twee vrouwen. Ook zíj lezen dagbladen.

Een andere vrouw staat naast de tafel. Zij bemoeit zich met een vaas met weelderige lelies. Het zijn bekoorlijke bloemen met lokkende stampers en meeldraden.

Eén van de vrouwen leest hardop een bericht. Het gaat over vrouwenbesnijdenis. Jonge meisjes die tijdens vakantie met hun ouders, in Marokko, stiekem tóch besneden worden en daardoor hun verdere leven verminkt zijn.

Iedereen keurt dit fel af. De vrouw bij de vaas ook, en ze voegt er aan toe dat die ouders niet waard zijn dat ze kinderen hebben, en dat ze uit de ouderlijke macht zouden moeten worden gezet.

En terwijl ze dit zegt, zie ik dat ze met een schaartje alle meeldraden en stampers van de lelies kort afknipt. “Wat doet u nou?” vraag ik, ontzet. “Dat stuifmeel geeft vreselijk af, en als je het op je kleren krijgt, dan gaat het er nooit meer uit,” zegt ze met een ernstige, wétende blik.

“Daar kan ik inkomen,” antwoord ik haar, “maar wat u daar doet, dat is toch evengoed genitale verminking!?” Van schrik laat ze haar schaartje vallen. Ze verschiet van kleur. Tussen haar vingers zie ik de zojuist afgeknipte stamper en meeldraden.

“Nog iemand koffie?” roept de man achter de bar.