Stichting Ontmoetingsruimte voor en door Ouderen in de Plantage- Weesperbuurt

   
 

 

 

Home

Activiteiten

Agenda

Archief

SOOP 10 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kunstenaar JOOST VAN DER KROGT

exposeert in de SOOP

van donderdag 1 december 2011 t/m woensdag 1 februari 2012

met als titel: "GELEEND GROEN"

 

 

De feestelijke opening van haar expositie vindt plaats

op donderdag 1 december 2011 om 16.30 uur

in de Gelaghkamer van de SOOP

Mijn expositie heb ik "Geleend Groen" gedoopt, omdat ik aan de SOOP voor de duur van de tentoonstelling, mijn fascinatie voor begrippen als ‘buiten’ en ‘groen’ heb uitgeleend. Ik kom van het platteland, echt nog met vóór en achter me weilanden en pas heel in de verte lichtjes. Ik heb geprobeerd daar zoveel mogelijk van vast te houden en woon ook nu nog met vrij veel buiten en groen om me heen.

Waar ik elke keer weer door getroffen word, is de weerspiegeling en de gelaagdheid van het water in de sloten. Sloten zijn voor mij land, water en lucht ineen. Een bron van inspiratie voor kleur, vorm, maar vooral beweging. Sloten zijn in wezen een en al beweging. Je ziet van alles drijven, rondzweven en naar de bodem zinken. Dat geheel boeit me enorm. Ik schilder niet zomaar een dijkje of een wolkje, maar focus voor ‘mijn groen’ op beweging.

Ik zoek mijn onderwerpen dicht bij huis. Kijk om me heen, iets trekt mijn aandacht en daar ga ik dan mee aan de slag. Soms zijn het bijvoorbeeld de kippen in mijn eigen achtertuin. Kippen zijn ook een en al bewegelijkheid, fascinerend. Ik werk graag in reeksen: hanen en kippen in reeksen, boerenlandschappen en sloten in reeksen. Dat geeft me op de een of andere manier houvast.

Een leven zonder tekenen kan ik mij niet voorstellen. Na de middelbare school heb ik de Rietveld Akademie gedaan (richting vrije grafiek), maar ik heb ook gestudeerd (pedagogiek). Na die beide opleidingen heb ik met veel inzet en plezier in het onderwijs gewerkt. Op parttime basis, zodat er tijd overbleef voor de kunst. Inmiddels ben ik met pensioen en mag ik als ik wil de hele dag tekenen!

Ik werk met veel verschillende materialen, maar houtskool is mijn grote favoriet. Je hand zit dichter bij het papier dan een kwast ooit kan komen. Ik zit ook vaak met mijn vingers te werken. Dat is nóg dichterbij. Lekker vegen, heel vertrouwd. Als ik verbannen wordt naar een onbewoond eiland en ik mag maar één materiaalsoort meenemen, wordt het houtskool. Vormen zijn voor mij heel belangrijk en die maak je met zwart-wit. Ik zal kleur op dat eiland vreselijk missen, maar dat maak ik dan zelf wel van de sappen van de bloemen, die op dat eiland vast en zeker zullen bloeien.

Interview: Janny Lok

Amsterdam, november 2011

 

 

Kunstenaar IRENE HERTEL

exposeert in de SOOP

van donderdag 6 oktober t/m woensdag 30 november 2011.

 

Thema: “LUCHT en WATER”.

 

 

 

De feestelijke opening van haar expositie vond plaats op donderdag 6 oktober om 16.30 uur in de Gelaghkamer.

 

“Zeefdrukken maken is een beetje toveren”

Alles wat ik de bezoekers van de SOOP tijdens mijn expositie laat zien, heb ik de afgelopen maanden gemaakt. Het gaat om zachte zeefdrukken met als thema “lucht en water”. Het is compleet ander werk dan ik ooit heb gemaakt. Eigenlijk houd ik juist veel van heldere, sterke, primaire kleuren. Van felle olie - schilderijen op doek. Met het maken van dat soort schilderijen ben ik voor de volle honderd procent de baas. Er is niet iets verrassends voor mezelf als het werk af is. Als alles goed is gegaan, is het resultaat precies wat ik voor ogen had.   

Zeefdrukken maken daarentegen is een beetje toveren. Ook al doe je alles nog zo perfect: je hebt geen idee hoe het er precies uit komt te zien. Dát fascineert me. Ik laat me graag verrassen. Je hebt voor het maken van zeefdrukken allebei je handen en in feite je hele lijf nodig. Voor de chemische processen ga ik naar het Grafisch Atelier in de Jordaan. Ik geniet van het smerige handwerk dat ik daar moet doen, van de grote lichtbak, de hogedrukspuit, noem het maar op. Ik vind het allemaal geweldig. Het is er verschrikkelijk lawaaiig, het stinkt er naar rotte eieren en ik werk me met plezier helemaal in het zweet. Na zo’n dag op het Grafisch Atelier ben ik helemaal kapot en uiterst tevreden. Ik begrijp zelf nog steeds niet hoe het mogelijk is dat je op een zeef schildert, dat schilderij vervolgens doordrukt en uiteindelijk op papier laat verschijnen. Dat is toch een beetje toveren? Het is te vergelijken met het ontwikkelen van foto’s in een donkere kamer. Dat vonden we vroeger ook een wonder. Er zitten kleine verschillen in mijn afdrukken. Hier en daar een ander vlekje, een andere oneffenheid. Daar heb je zelf geen enkele invloed op en dat vind ik nou juist zo mooi aan zeefdrukken. Ik ben niet meer alleen de baas!

De grootste creativiteit zit niet in het schilderen, maar in het verzinnen van nieuwe dingen. Ik blijf nooit erg lang bij hetzelfde thema hangen. Na de vogels, de hanen en de varkens zijn het nu deze vormen in het landschap. Het water dat daar doorheen stroomt, met die prachtige donkere randjes. En de hemel boven dat geheel. Dit laat ik voorlopig even niet meer los. Ik heb behoefte aan een beetje leegte in mijn werk. Het was altijd wel erg vol en kleurrijk. Ik hoop dat ik de bezoekers van de SOOP een plezier doe met dit nieuwe thema”.

Amsterdam, oktober 2011,

Interview: Janny Lok 

 

 

 

Buurtgenoot ASTRID SWAAGER

exposeert in de SOOP

van donderdag 12 mei t/m woensdag 22 juni

met als titel TIJDLOOS.

De feestelijke opening van haar expositie vindt plaats op donderdag 12 mei om 16.30 uur in de Gelaghkamer (en hopelijk de tuin!) van de SOOP.

" Mijn schilderijen ontstaan uit vlekken. Al werkend nemen de vlekken vormen aan. Daar ga ik op door. Ik werk vrijwel altijd met olieverf. Je kunt met olie heel goed kleuren mengen op het doek. Acryl droogt daarvoor te snel. Olieverf voelt ook lekkerder aan. Elk schilderij dat af is, geeft me op dat moment een gevoel van trots. Maar het komt ook voor dat een bepaald werk me na een tijdje niet meer zo bevalt. Dan schilder ik het helemaal over met witte of roomkleurige verf. En begin opnieuw. De speciale structuur die is ontstaan door de verschillende lagen verf over elkaar, werkt inspirerend. Kleuren en vormen komen heel gemakkelijk in mijn hoofd. Het worden vaak mijn mooiste schilderijen.

Ik schilder nu zo’n jaar of tien. Het begon allemaal tijdens een vakantie in Portugal, waar ik deelnam aan een schildercursus. Terug in Amsterdam ben ik les gaan nemen aan de Vrije Schilderacademie "De Leeuwenburg". Een opleiding van vier jaar. Ik vond het fantastisch. Sindsdien schilder ik in Atelier "Dijkzicht", bij Johan Suttorp. Je kunt daar vrij schilderen. Mocht je een beetje vast komen te zitten, dan draagt Johan nieuwe mogelijkheden aan. Een ideale plek voor mij, die ik niet graag meer zou willen missen in mijn leven.

Als ik schilder is het net alsof tijd niet bestaat. Het geeft me ook een beter zicht op wie ik ben. Waar ik plezier aan beleef en wat ik wel en niet kan. Ik houd van experimenteren, mezelf steeds weer verrassen. En ik merk dat ik niet graag opgeef. Steeds maar doorwerken, want ooit krijg je het gevoel: ‘nu is het goed’. Mijn ontwikkeling is zeker nog niet bij het eindpunt aangeland.

Ik heb mijn hele leven behoefte gehad me creatief te uiten. Bijvoorbeeld door mime - spel (mijn rol was clown!) of het maken van (wassen) beelden. En nu is er dan het schilderen. Daar hoop ik nog jaren een deel van mijn tijd en energie in te kunnen steken."

April 2011

Interview: Janny Lok

 

FOTOGRAAF HANS de WIT

exposeert in de SOOP

van donderdag 23 juni t/m woensdag 10 augustus 2011

onder de titel: "ONTWARRING & VERBINDING".

 

De feestelijke opening van zijn expositie vindt plaats

op donderdag 23 juni om 16.30 uur in de Gelaghkamer

(en hopelijk ook in de tuin) van de SOOP.

 

"Op mijn 12de verjaardag kreeg ik mijn eerste fototoestel, een ‘boxje’ heette dat toen. Daarna ging al mijn zakgeld naar het kopen van filmpjes. Eigenlijk kun je wel zeggen dat vanaf dat moment camera en ik een onafscheidelijk duo vormen. Tot vandaag de dag. Iemand die me goed kent zei een keer tegen me: ‘Hans, zonder camera ben jij eigenlijk een heel verlegen mens en met camera ben je best een brutale rakker’. Hij had gelijk, ik verstop me graag achter mijn camera.

Ik ben autodidact. Door te gaan werken als assistent bij bekende fotografen heb ik het vak tot in de details geleerd. Het waren uitstekende leermeesters. In de jaren zestig ben ik voor mezelf begonnen. Langzaam maar zeker lukte dat. Ik begon in de fotojournalistiek, o.a. voor Het Parool. Later kwamen er opdrachtgevers uit de reclamewereld bij. Maar ik kreeg ook interessant werk van uitgeverijen (boeken en tijdschriften) en ondernemingen, die in hun jaarverslagen steeds meer foto’s van hun bedrijf en producten wilden opnemen. Ik behoor tot de groep bevoorrechte mensen die kunnen zeggen dat ze met hun hobby voldoende geld hebben kunnen verdienen.

Voor de expositie heb ik uit mijn privé collectie twee series foto’s uitgekozen. Ik wil allereerst graag iets laten zien van mijn touwen, soms nog in de knoop en soms al ontward. Iedereen komt in het leven knopen tegen. De kunst is om de weg te vinden ze te ontwarren. Het zijn foto’s waarvan ik denk dat mensen er wat langer naar willen kijken, dat ze soms iemand kunnen raken, misschien zelfs herkenning oproepen.

Ik wil de bezoekers van de SOOP verder verrassen met foto’s die ik recentelijk tijdens verre reizen heb gemaakt. Mijn zonen trouwden met meisjes uit Indonesië, respectievelijk Thailand. Daardoor maakten mijn vrouw en ik op een niet-toeristische manier kennis met voor ons volkomen vreemde gebieden, bewoners en gewoontes. De keuze van mijn foto’s illustreert de verbinding die tussen mensen uit verschillende culturen ontstaat, als ze elkaar door toeval ontmoeten."

 

Amsterdam, mei 2011

Interview: Janny Lok

 

 

Beeldend kunstenaar en wereldverkenner

ANITA MIZRAHI

exposeert in de SOOP

van 24 maart 2011 t/m 11 mei 2011

met als titel “Beeldreis”

 

 

“Woestijn is mijn grote liefde” 

De hoofdmoot van mijn werk is gebaseerd op impressies en ideeën die ik tijdens mijn reizen op doe. Reizen doe ik al mijn hele leven. Mijn ouders waren dol op reizen, ik ben kennelijk erfelijk belast. Als kind nam ik altijd al een tekenboekje mee als we weer op pad gingen en dat doe ik nog steeds. Tegenwoordig gebruik ik soms een digitale camera om bepaalde indrukken even vast te leggen, maar het tekenboekje heeft ook nu nog mijn voorkeur. Ik schrijf er vaak ook iets bij.  

Mijn expositie bij de SOOP bestaat voor ongeveer de helft uit grafiek (etsen en litho’s). Verder zijn er schilderijen (acryl en olie) en gemengde technieken (foto’s, grafiek en collages) te zien.  

Ik houd erg van zwart-wit grafiek. Met soms een klein beetje rood voor wat extra  spanning. Maar kleur hoort ook zeker bij mijn leven. Ik reis door gebieden waar heel veel kleur is. Bij grafiek - of het nu gaat om litho’s, etsen, zeefdruk of lino’s - moet je vóór je begint nogal wat handwerk verrichten. De zinkplaat moet geschuurd worden, de randen gepolijst, enz. Tijdens dat proces krijg je contact met die plaat en zie je jouw idee er als het ware al op staan. Voor mij een prettige manier om te beginnen (ik heb nog wel eens last van startproblemen bij het zien van een maagdelijk stuk wit papier of doek). Je kunt niet voorspellen hoe het werk er precies uit komt te zien. Het maken van een eerste proefdruk ervaar ik dan ook altijd weer als een magisch moment. 

Reizen en schilderen zijn onlosmakelijk verbonden in mijn leven. Mijn liefde ligt vooral in de woestijn. Ik houd van die enorme ruimtes, de contrasten, de kleuren, de luchten. Woestijn werkt hypnotiserend. Wat ik ook heb ontdekt tijdens mijn reizen, is dat wij in het Westen zo weinig met ons verleden bezig zijn. In veel culturen is het verleden heel belangrijk. Door een combinatie van technieken waardoor meerdere lagen ontstaan, probeer ik daar iets van te laten zien. Bijvoorbeeld door een foto van een eeuwenoud beeld te combineren met grafische vormen uit het heden.  

Ik ben geboren in Amsterdam, woon er - als ik in het land ben - in het hart van de stad en heb mijn algemene kunstopleiding genoten bij de Rietveld academie. Mijn  kennis van grafische technieken heb ik vervolmaakt in Brussel.  

Interview: Janny Lok, maart 2011.

 

Amateur-fotograaf MAURITS WIJZENBEEK

exposeerde in de SOOP

van donderdag 3 februari 2011

t/m woensdag 23 maart 2011

onder de titel: “EEN HALVE EEUW AMATEUR”

“Je zou willen dat de zon altijd en overal laag stond”

Als amateur ga je fotograferen als je er zin in hebt. Er zit geen enkele druk achter. Nog belangrijker misschien: je hoeft je niet te specialiseren. Als beroepsfotograaf moet je keuzes maken. Pasfoto’s, mooie meiden, persfotografie en ga zo maar door. Je moet naam maken in een categorie en zo proberen een goede boterham te verdienen. Het lijkt me ook nogal saai. Steeds maar weer met hetzelfde onderwerp bezig zijn. Ik bezocht laatst een tentoonstelling in FOAM van een bekende fotograaf. Ik vond zijn jeugdfoto’s prachtig, echt geweldig. De man is later reizend persfotograaf geworden. De spanning die zijn jeugdwerk bij mij opriep, werd minder en verdween uiteindelijk. Alles was min of meer hetzelfde. Als amateur heb je alle vrijheid. En wat mij zelf betreft: stel dat ik tóch beroepsfotograaf zou zijn geworden, dan zou er wel heel weinig tijd en energie zijn overgebleven voor mijn andere liefde (natuurkunde).

Op mijn veertiende verjaardag ging een grote wens in vervulling: ik kreeg een fototoestel, zo’n dingetje van bakeliet. Daar heb ik een paar jaar veel plezier van gehad. Ik heb inmiddels al die oude foto’s gedigitaliseerd en laat er tijdens mijn expositie een paar van zien.

Bij het samenstellen van de foto’s voor mijn expositie heb ik overigens niet in eerste instantie gelet op de tijd waarin een foto is gemaakt. Mijn belangrijkste selectiecriterium is: een foto moet interessant zijn. Een aparte kijk uitstralen. Dat bereik je eerder met zwart-wit fotografie dan met kleur. Daarom laat ik op mijn expositie vooral zwart-wit foto’s zien. Meer dan kleur zijn zwart-wit foto’s in staat om een bepaalde visie over te brengen. Om reacties bij de kijker te veroorzaken als: ‘hé, zo heb ik het nog niet bekeken’.

De elektronen flitser, die eind jaren vijftig op de markt kwam, heeft het mogelijk gemaakt heel snel te reageren als het juiste moment - een gebaar, een blik of een andere subtiliteit - zich voordoet. Die uitvinding is bijzonder belangrijk geweest in de geschiedenis van de fotografie.

Ruim tien jaar geleden deed digitaal fotograferen zijn entree. Een revolutie, maar tegelijkertijd ook een mentaliteitsverandering. Digitale toestellen zijn nog vrij traag. Ze moeten het licht meten en de juiste afstand instellen. Tijdens dat proces denk je: ‘tjonge, jonge, schiet es wat op, straks is het moment voorbij’. De neiging ontstaat om heel veel beeldjes te schieten en er dan achteraf de beste uit te kiezen. De fabrikanten werken er overigens hard aan de snelheid te verbeteren, dat merk je duidelijk aan hun advertenties.

Fotograferen is werken met licht. Een hoge zon is moeilijk. In Italië is het lastig om fatsoenlijke foto’s te maken. IJsland is ideaal; je zou willen dat de zon altijd en overal zo laag stond als daar.”

Interview: Janny Lok, januari 2011.

 

Schilder en dichter VERA JONGEJAN

exposeerde in de SOOP van donderdag 2 december 2010 t/m woensdag 2 februari 2011

met als titel “EEN SOORT VAN GELUK” 

Jarenlang was werken naar de natuur, zoals ik dat noem, het belangrijkste voor me. Kijken, kijken en nog eens kijken en dan datgene wat ik zie een eigen interpretatie geven. In dat kader moet je bijvoorbeeld mijn portretten plaatsen. Ik heb eindeloos veel portretten – al dan niet in opdracht – geschilderd. Ik vind mensen enorm boeiend. Kan het niet nalaten overal schetsjes van mensen om me heen te maken.  

Daarnaast maak ik de laatste jaren steeds meer werk met een expressionistisch karakter. Ik laat mijn fantasie dan volkomen de vrije loop. Begin gewoon, laat me verrassen en ben als het ware toeschouwer van het ontstaansproces. Niet helemaal natuurlijk, ik stuur wel hier en daar bij. Maar het voelt echt als een ontstaan van iets buiten mij om.  

Ik houd van beide manieren van werken. Ze zijn volstrekt onvergelijkbaar. Wat de toekomst brengt weet ik niet, maar het ziet er naar uit dat ik meer en meer de fantasieweg op ga. 

Tijdens mijn expositie wil ik de buurtbewoners van beide richtingen een aantal werken laten zien.  

Ik heb mijn hele leven al willen schilderen. Dat heeft volgens mij vooral te maken met het feit dat ik van jongs af aan geboeid word door kleur. Op de Rijks Akademie hebben ze op een gegeven moment geprobeerd mij de richting van het beeldhouwen op te sturen, maar dat ging niet. Ik koos voor kleur.   

Ik gebruik verschillende materialen. Werken met olieverf vind ik heel lekker. Vooral zonder al te veel verdunning. Een praktisch voordeel van olieverf is ook dat het dekt. Je kunt er steeds overheen schilderen. Maar ik gebruik ook veel gemengde technieken: de combinatie van aquarel en pastel bijvoorbeeld en gouache.   

Wat de gemengde technieken betreft werk ik graag op vliesdun, handgeschept papier uit Nepal, gemaakt van een inheemse heester. Vrienden nemen het voor me mee. Je kunt hier wel Nepalees papier kopen, maar dat is dikker. Ik houd juist van dat flinterdunne papier. Er zitten kleine stukjes tak en vezel in en daardoor krijgt het werk een heel aparte uitstraling. Met zelf gemaakte lijm (gekookte rijstebloem) plak ik het werk op voorgespannen zuurvrij papier. Ja zeker: er komt heel wat bij kijken voor ik aan het inlijsten kan beginnen, maar ik heb het er graag voor over (kijkt me met stralende ogen aan), want het betekent elke keer weer een soort van geluk.  

Interview: Janny Lok, november 2010.

 

Buurtgenoot, beeldend en dichtend kunstenaar

MARGERITE LUITWIELER

exposeert in de SOOP van donderdag 14 oktober t/m woensdag 1 december 2010 onder de titel

 “BEELD & WOORD”

 

 Ik wil graag dat de bezoekers van de SOOP geraakt worden door mijn werk. Dat ze misschien soms zelfs een beetje schrikken. Maar daardoor blijven kijken. Het zijn geen gemakkelijke plaatjes die ik maak. Ik beleef het leven heel intens. Die gepassioneerdheid in alles wat ik doe, heb ik op een gegeven ogenblik nauwelijks meer onder controle. Die moet dan naar buiten. Dát zijn de momenten waarop ik ga schilderen en schrijven.  

 Schrijven doe ik al vanaf mijn tiende jaar. Ik schrijf op straat, op een terras, in de tram, overal, behalve keurig aan een bureau. Vertrouw mijn emoties en gevoelens gemakkelijk toe aan een stukje papier. In dit verband heb ik nog een nieuwtje voor je: ik ben dit jaar gedebuteerd bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar met een bundel gedichten en tekeningen,  onder de titel: “Op hoge hakken de trap op rennend”. En misschien weet je dat in 2003 op de muur van het pand hoek Czaar Peterstraat/Tweede Leeghwaterstraat mijn gedicht “Ik heb ze lief” geschilderd is.     

Tekenen en schilderen heb ik ook vrijwel mijn hele leven gedaan. Ik heb kennelijk een kunstenaarsziel. Daar word je mee geboren en daar kun je dan ook maar beter naar luisteren. Mijn opleiding begon bij de Academie voor Beeldende Kunsten in Kampen en eindigde aan de Rijksakademie in Amsterdam. 

Gaandeweg heb ik het aangedurfd mijn persoonlijke verhalen te vertellen in mijn werk. Ik merkte dat mijn emoties universeel waren. Iedereen heeft in het leven te maken met liefde, pijn, verdriet, verlangen, hartstocht. Het betekende wel dat ik veel aangeleerde technieken weer af moest leren. Het heeft zeker tien jaar geduurd voordat ik mijn ‘gemakkelijke succes penseelstreken’ kwijt was.   

Ik werk meestal ’s avonds of ’s nachts, gebruik veel verschillende materialen: bister, inkt, aquarel, potlood, krijt, houtskool, rode wijn, koude koffie of fijngewreven blaadjes tot groen pigment. Tijdens mijn tentoonstelling laat ik van alles wel wat zien.   

Bij MK 24 op de Mauritskade geef ik les in modeltekenen en op het daarbij behorende kinderatelier leer ik kinderen van 4 tot 10 jaar de beginselen van het tekenen en schilderen. Heerlijk om te doen.   

Ik houd er van mensen uit te nodigen om bij mij thuis kennis te maken met mijn werk. Maar ik vind het ook leuk om weer een keer bij de SOOP te exposeren. Het is meer dan tien jaar geleden dat ik daar een tentoonstelling had. Ik ben benieuwd naar de reacties op mijn huidige werk. 

Interview: Janny Lok, oktober 2010

 

NIEUWTJES uit de hoek van de 

CREATIEVE HANDVAARDIGHEDEN

 

RIJK VAN DEN HOEK, docent en begeleider

BOETSEREN EN SPEKSTEEN BEWERKEN

 

Mijn nieuwtje heeft te maken met een bijzondere uitbreiding van onze werkplekken. Behalve op de fraaie zolderetage van het SOOP – gebouw en in de aantrekkelijke tuin, gingen we deze zomer ook aan de slag in  Noord – Frankrijk. In de week van 5 tot 12 juni bivakkeerden we daar met z’n achten. Met veel animo werd er in een heerlijk ruime tuin geraspt, gehakt en gevijld. Ieder zocht een eigen plekje; onder een afdakje vanwege zon of regen, in het gras of onder een boom. Het voelde als een vakantie, waarin je lekker alleen maar dingen doet die je leuk vindt. Alle cursisten kijken terug op een geslaagde week. De plek leent zich bij uitstek voor een weekje kunstzinnig bezig zijn. Het huis is comfortabel en de winkels waar je proviandeert, zijn niet ver weg. Met de auto kun je er vanuit Amsterdam in vijf uur zijn. Op de OPEN DAG kunt u de resultaten van onze Franse week bezichtigen. U bent natuurlijk ook van harte welkom bij de club boetseerliefhebbers en speksteen bewerkers. En………in de zomer van 2011 gaan we vast weer een weekje naar die unieke Franse plek. Misschien ook iets voor u ? 

 

EVERT VAN BARNEVELD, docent en begeleider

“SCHEUREN & PLAKKEN” (COLLAGES MAKEN)

 

Mijn nieuws is dat we onlangs zijn gestart met een cursus, waarbij we niet scheuren & plakken met kunstposters, maar met héél dun, ongekleurd satijnpapier. Dit flinterdunne papier wassen we in – met behulp van een sponsje en wat water – met allerlei kleurtjes. Het ingewassen papier hangen we met knijpertjes aan een waslijn. Het moet door en door droog worden. Dan begint het scheuren & plakken. Doordat het papier zo dun is, kunnen de diverse gescheurde stukjes over elkaar heen worden geplakt. Dat geeft een bijzondere dieptewerking. Het eindproduct ziet er daardoor heel anders uit dan wanneer je met kunstposters werkt. Door die dieptewerking, maar ook door de kleuren. Die zijn feller, briljanter. De cursisten vinden het heel spannend. Het feit dat ze eerst hun eigen papier moeten maken, prikkelt de fantasie en versterkt de binding die men heeft met het eigen werk. Op de OPEN DAG laat ik u graag kennismaken met de beide cursussen, die ik in het nieuwe seizoen ga geven: collages maken met kunstposters en met vooraf ingekleurd satijnpapier.

  

INGEBORG KURPERSHOEK, docent en begeleider

TEKENEN EN SCHILDEREN

 “In de ruim tien jaar dat ik nu teken - en schildercursisten bij de SOOP begeleid, is veel hetzelfde gebleven. Maar er veranderde iets heel essentieels, toen de SOOP de beschikking kreeg over het gehele pand aan de Nieuwe Kerkstraat. We verruilden  onze knusse voorkamer op de eerste etage voor de veel grotere en meer mogelijkheden biedende zolderetage. Ondanks de voordelen van deze nieuwe ruimte, was het voor ons wel even wennen. Die fase zijn we nu voorbij. We genieten van de grotere ruimte en de fraaie lichtinval aan voor - en achterkant. De cursisten zijn doordat ze meer armslag hebben, automatisch groter gaan werken. Voorspelbaar, maar leuk om waar te nemen. Van de club waarmee ik begon, is een vaste kern tot vandaag de dag gebleven. Er zijn wel nieuwe mensen bijgekomen. Mijn nieuws is dat ik naast de vaste donderdagmiddag (eens in de veertien dagen) nu ook een groep begeleid op de vrijdagochtend. Mijn methode is simpel en met twee woorden duidelijk te maken: plezier en aandacht. Daar gaat het mij om. Iedereen die zich daarin kan vinden is van harte welkom. Op de OPEN DAG laat ik u graag met trots het werk van mijn cursisten zien en probeer ik uw vragen te beantwoorden. 

 

RIK EIJLDERS, docent en begeleider

PORTRETSCHILDEREN EN BEELDHOUWEN

 

In het nieuwe seizoen start ik met een cursus portretschilderen. Op basis van foto’s. In veel opzichten is de opzet vergelijkbaar met de cursus portrettekenen, die ik eerder gaf in de SOOP. Daar waren de cursisten enthousiast over. Ik hoop ook nu weer een aantal mensen een plezier te doen met deze nieuwe cursus. Op de OPEN DAG vertel ik u er graag meer over en als het u aanspreekt kunt u zich hiervoor opgeven. In het afgelopen jaar heb ik met een cursusgroep beelden gemaakt van brons. Het thema was “de gevleugelde mens”; dit werd door de cursisten heel verschillend benaderd. De één liet zich inspireren door Icarus, de ander door Nike, enz. Ik ben erg onder de indruk van de resultaten. Op een geraamte van bronsdraad werden de beelden - ca 30 cm. hoog - gemaakt van boetseerwas. Toen de wassen beelden klaar waren hebben we ‘buiten de SOOP - deuren’ bij beeldend kunstenaar Leo van den Bos, gipsen mallen gemaakt. Een professionele bronsgieter heeft de boetseerwas er vervolgens uitgestookt en de ontstane holte volgegoten met brons. Het afwerken van de beelden was een groot karwei, maar het lukte en nu zijn de cursisten trotse bezitters van een door hen zelf gemaakt bronzen beeld! In het nieuwe seizoen ga ik met die zelfde groep cursisten snijden in groot formaat plantenoase. Daar kun je hele leuke, ruimtelijke beelden mee maken. We gaan ze afwerken met papier – maché en vervolgens in felle kleuren lakken. We staan te trappelen om te beginnen.

 

Augustus 2010

Interviews: Janny Lok

 

 

 

 “ TANGO, EEN TUIN VAN ILLUSIE”

Interview met Marianne van Berlo 

"Mijn hoofdberoep is beeldend kunstenaar. Aanvankelijk tekende en schilderde ik vooral dieren en landschappen. Later ben ik in de ban geraakt van de tango. Dat virus liep ik op tijdens mijn eerste bezoek aan Buenos Aires, nu zo’n twintig jaar geleden.  

Tango is sindsdien écht mijn passie; ik geef les in tango, ik dans tango en ik schilder tangodansende mensen. Tijdens die eerste reis naar Buenos Aires begon ik al tango te tekenen. Ik ben er na thuiskomst mee doorgegaan. Kleine tekeningen werden grote tekeningen en grote tekeningen werden schilderijen. Zo kwam van het een het ander. Tango dansende mensen schilderen heeft zoveel dimensies. Het gaat om handen, gezichtsuitdrukkingen, de vele manieren van bewegen.  

In mijn schilderijen komen behalve mensen ook vaak duiven voor. Duiven zijn stadsdieren, Zowel in Buenos Aires als in Amsterdam stikt het er van. Maar tangodansers zijn óók stadsdieren. Als een mannetjesduif een doffer het hof wil maken, zet hij zijn borst op. Om je partner goed te kunnen leiden, moet je als man ook een beetje je borst opzetten. Het was verrassend om die overeenkomst vast te stellen. Veel mensen zien duiven als schijtbeesten, maar als je hun leven in groepsverband goed bestudeert, zie je hoeveel ze gemeen hebben met mensen. En daarom komen ze  regelmatig voor in mijn schilderijen.  

Als we in de zomer in Frankrijk met vakantie zijn, schilder ik graag Franse bergkoeien. Prachtige beesten zijn het, met grote horens. Ze lopen van heuvel naar heuvel en zetten hun poten op een hele typische, strakke manier neer. Het zijn echte “tango - koeien”.   

Het is voor het eerst dat ik een expositie heb in de Plantagebuurt. Ik ben heel enthousiast over deze buurt. Ken ‘m ook wel goed, want mijn man Arjan en ik hebben een tangoschool aan de Plantage Muidergracht. Er hangt een beetje een dorpssfeer in deze buurt. De mensen zijn ontspannen en vriendelijk en van elk hoopje modder weten ze nog een piepklein tuintje te maken.  

Mijn expositie is een mix van olieverf op doek, inkt - en krijttekeningen en oliepastels.

Oliepastels maak je met behulp van olieverf in stickvorm. Je kunt er mee mengen op het papier zelf, het tekent wat directer en niet onbelangrijk: het droogt binnen 24 uur. Heerlijk materiaal. Het leukste van exposeren vind ik de onverwachte reacties van bezoekers. Maar het feit dat ik mijn buurtgenoten confronteer met mijn volstrekt uit de hand gelopen passie voor tango vind ik ook een aantrekkelijke gedachte". 

 Interview: Janny Lok    

Interview met Josée Voormans

  “Het water komt me bijna in de mond als ik aan olieverf denk”

 

Schilderen is mijn allergrootste hobby. Ik schilder praktisch elke dag, nu al zo’n veertig jaar. Het is overigens nooit bij me op gekomen om van tekenen en schilderen mijn beroep te maken. Ik ben geboren in Venlo, had een Oekraïense moeder die na mijn middelbare schooltijd het besluit nam dat ik Russische taal en letterkunde zou gaan studeren. En dat gebeurde: ik deed wat ze zei. Toen nog wel! Tot mijn 21-ste studeerde ik aan Russische universiteiten, daarna aan de UvA hier in Amsterdam. In mijn vrije tijd kwam ik in een kunstenaarskring terecht. Vanaf dat moment kreeg ik een onontkoombaar verlangen om zelf te tekenen en schilderen.

 

Enkele decennia lang heb ik les gehad van schilder (en familielid) Simon Kramer. Begonnen met houtskool, toen gouache en later olieverf. Ik houd van werken met olie. Het is kneedbaar, je kunt er alle kanten mee op: fijn en grof. Het water komt me bijna in de mond als ik er aan denk, heerlijk!  Begin jaren negentig hebben we met een stel medecursisten van Simon een clubje opgericht dat we Collectief Blauw Amsterdam doopten. Met deze club hebben we in de afgelopen jaren regelmatig geëxposeerd. Toen Simon er mee ophield, heb ik mijn heil elders gezocht. Dat heb ik twee jaar volgehouden. In plaats van één avond had ik nu drie avonden in de week les. Ik heb een redelijk zware baan buiten Amsterdam en het werd me op een gegeven moment te veel.

 

Ik neem nu af en toe nog les. Bij Simon heb ik geleerd impressionistisch te werk te gaan. Hij nam bijvoorbeeld een gedicht en zei: probeer daar een schilderij bij te maken. Dat was leuk, uitdagend. Bij de Academie waar ik daarna naar toe ging, was het focus: heel precies kijken naar verhoudingen. Ik heb er veel geleerd, ook al hield ik het niet vol. Mijn schilderijen zijn nu een mix van impressionistisch en figuratief werk. Ik heb tegenwoordig de neiging realistischer te schilderen, dichter bij het onderwerp te blijven. Ik werk nu meer met acryl. Het is dikker dan gouache, het droogt snel en geeft mooie, heldere kleuren.

 

Tot nu toe heb ik alleen deelgenomen aan groepsexposities. Daar hangen hooguit vijf werken van de individuele schilders. Ik vind het spannend dat er bij de SOOP  drie keer zoveel schilderijen van mij komen te hangen. Ben ook erg benieuwd naar de reacties van de bezoekers”.          

 

 

Interview met kunstenaars, tevens SOOP-vrijwilligers

ALIE ROEST en ELS MARTELHOF

ter gelegenheid van hun expositie “ALLERHANDE”

in de Gelaghkamer van de SOOP.

ALIE ROEST:

We hebben onze expositie bewust “Allerhande” genoemd. Dit woord geeft   ons de ruimte om verschillende kanten van het werk dat we maken, te laten zien. Mijn keuze is uiteindelijk gevallen op een mix van aquarel, ets en een enkele tekening. 

De nadruk ligt op aquarel; dat heeft meer dan alle andere technieken mijn hart. Aquarelleren is lastig, omdat je het eigenlijk meteen goed moet doen. Dat is dé grote uitdaging. Ben je niet tevreden en ga je kleuren “stapelen”, zoals dat genoemd wordt, dan is de kans groot dat het leven uit het werk verdwijnt. Dat moet je dus zien te vermijden.

Etsen vind ik overigens ook fascinerend. Die heb ik vooral toegevoegd, omdat je heel aardig het effect van inkleuren kunt laten zien. Precies dezelfde ets in zwart/wit en ingekleurd hebben wat sfeer betreft vrijwel niets meer met elkaar gemeen. Heel verrassend.

Mijn werk is totaal verschillend van dat van Els. Daarom is het leuk om juist samen met haar te exposeren. Haar felle doeken vormen een interessant contrast met mijn werk, dat vooral rust uitstraalt.

Ik werk als vrijwilliger bij de SOOP. Bemoei me, samen met een paar collega-vrijwilligers, met het organiseren van concerten. Ik vind het leuk dat mensen die bij de SOOP komen nu een andere kant van mij leren kennen.

ELS MARTELHOF:

Mijn bijdrage aan de expositie bestaat uit een aantal fantasieën. Ze ontstaan door iets dat mijn aandacht trekt. Een afbeelding, een gebouw, een bootje, het kan van alles zijn. Ik merk iets op en vervolgens gaat mijn fantasie op de loop. Aan de hand van mijn steevaste uitgangspunten: vorm, kleur en constructie.

 Ik begin met een schets op papier. Dat papier heb ik op maat gemaakt. Al mijn fantasieën hebben dezelfde maat: 40 bij 90. Als de schets naar mijn zin is ga ik schilderen. De overgang van schets naar kleur is een lastig, maar cruciaal punt. De kleuren moeten heel goed op elkaar worden afgestemd; niet vals tegenover elkaar komen te staan. Het geheel moet aangenaam zijn om naar te kijken.

 Nu begint de volgende fase. Ik prepareer een dun soort linnen (daar heb ik een speciaal adresje voor!) en plak het op een plank. Een moeilijk onderdeel van het proces, want het moet heel strak gespannen worden.

 Alles wat ik “in klad” op papier heb geschilderd, neem ik nu over op doek. Het is elke keer weer spannend of het allemaal lukt. Met vallen en opstaan heb ik het onder de knie gekregen.  

 Het werk is niet figuratief, maar als je goed kijkt kun je soms iets terugvinden van het object dat de aanleiding tot het kunstwerk vormde.

 

Mijn felle fantasieën vormen een groot contrast met het werk dat Alie maakt. Wij denken beiden dat de combinatie een boeiende expositie oplevert. Ik ben benieuwd hoe mijn werk het doet in een heel andere omgeving.   

Interviews: Janny Lok

 

 

Interview met Bep Rudelsheim

“TEGENDRAADS”

Onder deze titel exposeerde Bep Rudelsheim

in de gelaghkamer van de SOOP

van 3 december 2009 t/m 3 februari 2010.

 “ Een eigen handschrift ontwikkelen is essentieel”

 Toen mijn jongste kind een jaar of vier was, ontstond bij mij de behoefte creatief bezig te zijn. Het begon met poppen maken, daarna werden het wandkleden en weer later ging ik potten bakken.

 Het was het allemaal nét niet. Dat gevoel verdween toen ik ging schilderen. Aanvankelijk in het van Gogh Museum; daar werden schildercursussen gegeven. Ik heb het nu over de jaren zeventig. Later sloot ik me aan bij de zondagschilders. Daar werk ik met  veel plezier tot op de dag van vandaag onder de bezielende leiding van Rob Raats.

 Schilderen betekende voor mij heel lang aquarelleren. De niet erg op de voorgrond tredende kleuren van de aquarel passen goed bij mijn wat verlegen natuur. Sinds een jaar of tien maak ik ook olieverven. Voor die overstap was voor mij wel wat durf nodig, maar die had ik kennelijk weten op te bouwen. Ik vind werken met olieverf heel prettig; merk ook dat ik steeds wat brutaler word.

 In de loop der jaren heb ik een eigen handschrift ontwikkeld.Dat ging vanzelf. Maar nu het er is, vind ik het heel belangrijk en werk ik er hard aan. Op het tegendraadse af!

 Tot nu toe heb ik alleen aan groepsexposities deelgenomen. De  expositie bij de SOOP wordt mijn eerste solo - optreden. De bezoekers van de SOOP gaan een mix van aquarel en olieverf zien. Ik vind het allemaal best spannend

 

Interview: Janny Lok

 

i

 

 

KUNSTENAAR CARLA van RIET IN DE SOOP

“MASKERADE”

Onder die titel exposeert Carla van Riet

in de Gelaghkamer van de SOOP

van 1 oktober t/m 2 december 2009.

De SOOP is op werkdagen geopend van 11.00 tot 17.00 uur.

 

“Mijn maskers zijn ingetogen, ze mediteren graag een beetje”

Ik maak maskers van oud leer. Hoe ouder het leer, hoe liever ik het heb. Op het Waterlooplein kun je goed terecht voor oud leer. En ik krijg van vrienden en kennissen hun afgedankte jassen en tassen. Ze vinden het plezieriger om die spullen aan mij te geven dan ze in een vuilnisbak te gooien. Soms herkennen ze in mijn kunst stukjes van hun oude jas of tas. Leuk is dat.

 

Waarom ik met leer werk? Dat weet ik eigenlijk niet zo goed. Ik heb de Academie voor Industriële Vormgeving gedaan. Daarna ben ik gaan schilderen. Na een tijd werd schilderen vervangen door wandkleden maken van oude lapjes. Dat moesten vooral écht oude lapjes zijn.Op een gegeven moment gaf iemand mij een oude motorjas.Vanaf dat moment was ik verkocht. Dat oude leer is heerlijk om mee te werken. Je kunt er van alles mee doen: vormen, plakken, met een stanley mes bewerken, lijmen, stikken. Werken met leer lijkt een beetje op beeldhouwen. Wat ik weg snijd, krijg ik nooit meer terug. Net als weg hakken, wat je bij beeldhouwen doet.

 Ik heb aanvankelijk van alles gemaakt van oud leer. Hele grote stukken, abstracten in allerlei soorten en maten, erotische werken. De afgelopen twintig jaar houd ik me vooral bezig met maskers. Ik denk dat mijn voorliefde voor maskers te maken heeft met mijn grafische opleiding. Maskers hebben iets grafisch. Nee, mijn maskers hebben niets te maken met voorouderverering. Ze hebben geen religieuze of psychologische achtergrond. Ik werk intuïtief, weet nooit wat het wordt. Hoewel ikzelf nogal vrolijk van aard ben, hebben mijn maskers altijd iets ingetogens. Ze mediteren graag een beetje. Mijn eerste maskers waren volstrekt symmetrisch, later durfde ik a - symmetrische accenten aan te brengen. Veel moeilijker om te maken.  Maar het werk wordt er spannender door. Ooit hoop ik het ultieme masker te maken.  

 Interview: Janny N. Lok    

 

September 2009 

De nieuwste loot aan de stam van SOOP’s creatieve groepen heet (ZELF)PORTRET TEKENEN. Hoe dat vorm wordt gegeven vertelt RIK EIJLDERS, docent en inspirator. 

“Jezelf blijven ontwikkelen tot je allerlaatste snik”

Het eindresultaat moet goed zijn, daar gaat het mij om. Het gebruik van fotografie is dan een prima hulpmiddel. Dat is overigens niets nieuws hoor. Ik zag laatst een film over een bekende schilder. Je zag hoe hij foto’s maakte, deze projecteerde, overtrok en in schilderde. Ik dacht: zie je wel, eigentijdse beroemdheden doen het ook! En in de tijd toen er nog geen fotografie bestond, maakten onze oude meesters ook gebruik van hulpmiddelen. Bijvoorbeeld in de vorm van rasters. 

Hoe ik precies te werk ga? Ik maak een foto van mijn cursisten en vergroot ze tot A-3 formaat. Die foto geef ik aan hen. Ze smeren de achterzijde in met grafiet. Daarmee is er een soort ‘carbonpapier’ ontstaan. Dat drukken ze door op stevig karton, linnen doek of wat iemand maar wil. Daarmee gaan ze vervolgens aan de slag. Eén ding is nu zeker: het portret kan niet meer mislukken. Nee, het wordt absoluut geen eenheidsworst. Want ieder mens heeft een eigen handschrift. Kiest andere kleuren, gebruikt andere materialen. Het worden heel verschillende portretten, zoals je op de expositie ook duidelijk kunt zien.   

Ik probeer cursisten een methode aan te reiken, die leidt tot een resultaat waar ze trots op zijn. Thuis willen ophangen. Het is leuk om te zien hoe ze in de loop van de cursus (tien lessen) elkaar gaan stimuleren en hun bewondering uiten voor het werk van de ander. Ik merk ook dat er verschil is tussen les geven aan ouderen en mijn vroegere leerlingen, adolescenten van gemiddeld 17 jaar. Bij de geestelijke bagage van ouderen zit meer kennis van kunst, gevoel voor kleur en idee van de diverse eigentijdse en vroegere kunststromingen.  

Mijn plezier in les geven haal ik uit het stimuleren van andermans creativiteit. En uit het bedenken van nieuwe dingen. Ik wil bijvoorbeeld nu kijken naar de mogelijkheden om een cursus boetseren in was van de grond te tillen. Het thema heb ik al:’de gevleugelde mens’. Zelf wil ik bij de SOOP ook cursussen gaan volgen. Denk dan aan spaans. Je moet jezelf blijven ontwikkelen, tot je laatste snik.”  

Interview: Janny N. Lok  

 

KUNSTENAAR MARUTH KLEEREKOPER IN DE SOOP 

 “VRIJ SPEL”

juni 2009

Kennis is voor mij een belemmering van het creatieve proces”

 

Alles begint met een niet te stuiten verlangen om te creëren. Er is alleen dat witte blad papier. Daarop projecteer ik de beelden in mijn hoofd. Ik teken zonder te weten waar ik uitkom. Er ontstaat een vorm en uit die vorm ontstaat een andere vorm. Het werk groeit. Het is een voortdurende dialoog tussen mijn innerlijke beeldenwereld en datgene wat er op het papier ontstaat. 

 

Ik laat de bezoekers van de SOOP onder andere een serie zwart-wit werk zien. Het enige dat ik daar voor nodig heb is papier, oost  indische inkt en één simpele kwast. Dan begin ik te tekenen. Er ontstaan vormen. Het wordt een spel tussen het witte papier en de zwarte inkt. Ik ga net zo lang door tot de spanning tussen wit en zwart goed is, tot het contrast klopt.

 

Achtergrond van deze serie vormt mijn verbondenheid met de natuur. Het zijn motieven uit de planten – en dierenwereld. Het ontstaan en de groeiwijze van een plant boeit me. Hoe een plant vanuit een zaadje zijn uiteindelijke vorm vindt. Als ik daar in meega voel ik dat lijfelijk. Het is een ritmisch en sensueel proces. Dieren roepen weer andere gevoelens bij me op. Daar spreekt vooral de bewegelijkheid tot mijn verbeelding. Ik heb vroeger veel aan mime en dans gedaan. Dat heeft er zeker mee te maken. Het werk toont de verwevenheid van plant en dier tot een organische eenheid.

 

Ik werk ook graag met krijt en acryl. En voor mijn kleine schilderijen prefereer ik een gemengde techniek van aquarel + krijt. De grote lijnen zet ik dan eerst neer met potlood. Meestal gebruik ik ook bij deze technieken gewoon (niet absorberend) tekenpapier. Maar als ik het spel tussen kleuren en abstracte vormen wil weergeven, kies ik liever voor acryl op hardboard.

 

Er zijn verder nog enkele werken te zien met krachtige vulva en fallische vruchtbaarheidsymbolen. Ze verbeelden voor mij het zich steeds vernieuwende en zich vormende leven.

 

Ik ben een pure autodidact. Ik heb gemerkt dat opleidingen mijn creativiteit belemmeren. Vanuit weten kan ik niet creëren. Ik heb tekenen geleerd door het te doen. Een kunstenaar die ik erg bewonder is Lataster. Dat is een groot voorbeeld voor mij. Hij is ook veel bezig met beweging en dat resulteert in prachtig werk. Over mijn werk heb ik altijd het gevoel dat het nog beter kan. Ik ben er nog niet helemaal, om het zo maar eens te zeggen.

 

Interview: Janny Lok

PERFORMER/KUNSTENAAR NELLA MONTFOORT IN DE SOOP

“STOUTE SCHOENEN EN ANDERE ONDEUGENDHEDEN”

april 2009

 “Mijn werk laat het onalledaagse theater van het leven zien”

 

Dansen loopt als een rode draad door mijn leven. Dat begon al op mijn tiende jaar met klassiek ballet. In die tijd een soort ‘must’ voor kleine meisjes in Den Bosch. Later werd het moderne dans, gevolgd door Afrikaans, jazz, mime en - weer later - flamenco. Op het ogenblik dans ik tango. Geweldig, alleen die muziek al. 

 

Na de middelbare school en een paar baantjes waarin ik me nogal ongelukkig voelde, kwam ik uiteindelijk terecht op de Koninklijke Academie voor Kunst en Vormgeving in Den Bosch. Dat was een schot in de roos. Niet lang na mijn afstuderen ben ik naar Amsterdam vertrokken. Ik heb daar nog aanvullende begeleiding en schilderlessen genomen. In die omgeving kon ik mezelf zijn.Het was me in Den Bosch heel duidelijk geworden: ik pas in geen enkele kooi.

 

Fascinatie voor schoenen heb ik al sinds ik kan lopen. Schoenen bepalen het beeld van de vrouw. Zeggen iets over haar ijdelheid, over haar gevoel voor mode. Maken iemand vrouwelijk, sexy. Ik ben op een gegeven moment mijn eigen dansschoenen gaan schilderen. Eerst zoals ze er uitzagen. Gaandeweg hebben mijn schoenen een  persoonlijkheid gekregen. Een eigen karakter. Ik schilder trotse schoenen, erotische schoenen of compleet krankzinnige schoenen. En laarzen. Strenge laarzen, met zachte veertjes langs de schacht om de strengheid te compenseren. Die tegenstelling streng versus zacht vind je terug in al mijn werk. Of zoals ik het zelf graag uitdruk: ik schilder lieve heksen en stoute elfen. Juist die tegenstelling maakt het werk spannender.Waarom ik nooit een complete vrouw schilder? Het benadrukken van een bepaald onderdeel, zoals voeten, benen of een torso vind ik wat vorm betreft interessanter, geheimzinniger.

 

Ik schilder uitsluitend met olieverf. Op doek. Dat is het lekkerste dat er bestaat, omdat de mogelijkheden vrijwel onbegrensd zijn. Je kunt er als het ware mee toveren.Kleuren mengen. Lagen over elkaar smeren en daardoor diepte scheppen.Het materiaal is soepel, geeft een speciale glans en ruikt zo lekker.

 

Ik hoop dat de bezoekers van de SOOP iets uit hun eigen leven herkennen in mijn werk. Iets speels, iets ondeugends. 

Interview: Janny N. Lok

 

 

KUNSTENAAR SMITSKOVÁCS IN DE SOOP

 Op donderdag 5 februari 2009 om 16.30 uur

vindt in de Gelaghkamer van de SOOP

de FEESTELIJKE OPENING plaats

van SmitsKovács expositie

“VISUELE POËZIE EN PORTRETTEN”.

 

U BENT VAN HARTE UITGENODIGD.

 

“ Ik ben de leerling van de meester in mijzelf”

 

Ik teken iedere dag. Voorwaarden om te kunnen tekenen en schilderen zijn voor mij helemaal alleen zijn, in mijn eigen atelier, met mijn werk om me heen. Om in het juiste gevoel te komen begin ik vaak met krassen. Krassen met allerlei materialen. Door het krassen orden ik mijn gedachten en verken ik de materialen. Met tekenen vertel ik mijn verhaal en verbeeld ik mijn wereld tot lijn, vorm en vlak. Als ik werk ga ik diep in mezelf. Hoe beter dat lukt hoe dichter ik bij mijn verbeelding kom. Er ontstaat een explosie van beelden: mijn visuele poëzie, de bron voor mijn schilderijen. Het komt neer op keuzes maken, ieder moment weer keuzes maken. Ik ben de leerling van de meester in mijzelf. 

 Schilderen doe ik naar thema en ik maak portretten. Zowel zelfportret als in opdracht. Mensen schilder ik van foto’s die ik van hen maak als ik bij hen op bezoek ben. Voor zelfportret kijk ik in de spiegel. In mijn portretten verdicht ik de verwantschap van mijzelf tot de wereld. Het is de verbeelding van een moment, een moment van ontmoeting. In mijn thematisch werk laat ik me inspireren door foto’s, afbeeldingen en situaties die me raken of vraagtekens bij me oproepen.    

 Als docent ben ik verbonden aan het Kunstencentrum in Purmerend. Daar geef ik portret -/modeltekenen en vrij schilderen. Wat ik vooral probeer is mensen houvast te geven in hoe ze moeten kijken. En hoe ze dat vervolgens kunnen vertalen naar het platte vlak. In de zomermaanden geef ik vergelijkbare lessen in Zuid Frankrijk.

Bij de kunstenaars die als kind al begonnen met tekenen hoor ik niet. Mijn opleiding is drama. Ik had de scriptie voor mijn eindexamen geïllustreerd met eigen tekeningen. Tijdens het tekenen ontdekte ik dat ik via beeld mijn verhaal duidelijker kon vertellen dan op welke andere manier dan ook. Een gepassioneerd gevoel overviel me. Ik hoefde alleen nog maar te luisteren naar wat ik zag. Toen wist ik zeker dat ik voortaan wilde tekenen. Heb me meteen aangemeld bij de Rietveld Academie. Mijn leven met tekenen en schilderen was begonnen. De beeldende kunst had mijn hart veroverd.

 Waar de naam Kovács vandaan komt? Ik heet Marian Smits. Je moest eens weten hoeveel  Marian Smitsen er in de kunstwereld rondlopen. Om me te onderscheiden en misverstanden te voorkomen, heb ik mijn voornaam weggelaten en de achternaam van mijn Hongaarse moeder achter die van mijn vader gezet”.

Interview: Janny Lok

 

Interviews

  ANS VAN DE SCHEUR

exposeert in de  SOOP

 Op donderdag 20 november 2008 om 16.30 uur

vindt in de Gelaghkamer van de SOOP

de FEESTELIJKE OPENING plaats

van Ans’ expositie

 “VER-VREEMD”

U BENT VAN HARTE UITGENODIGD.

 “Anders zijn in de omgeving waarin je leeft”

“Mijn schilderijen vertellen een verhaal. Voor mijn expositie in de SOOP heb ik werk uitgezocht dat te maken heeft met vervreemdende situaties. De vormgeving en de techniek kies ik bewust bij elk achterliggend verhaal. Ik duik nogal diep in het onderwerp, wat er toe leidt dat ik in de praktijk vaak werk met twee - of meerluiken. Ik geef je een voorbeeld. De vrijlating van Bétancourt heeft me geïnspireerd tot het maken van een tweeluik. Voor mijn gevoel viel ze van de ene jungle in de andere. De eerste helft laat de jungle zien waarin ze gevangen zat en de tweede helft de ‘jungle stad’ Parijs met zijn hardheid, grote hoeveelheid stenen en een pers die massaal over haar heen valt. In het tweeluik is te zien hoe de stad oprukt richting natuur. Het centrale thema van mijn expositie zou je kunnen samenvatten als: het anders zijn in de omgeving waarin je leeft. Zelf ben ik een derde generatie kind van Friese landarbeiders, die destijds uit armoede hun vertrouwde omgeving moesten verlaten om zich voor hun broodwinning in Zuid Limburg te vestigen. Ik had als kind moeite met het Katholieke Zuiden en heb me daar altijd ‘anders’ gevoeld. Dat gold voor Bétancourt in die jungle, maar ook voor Afghaanse vluchtelingen, die na een verschrikkelijke reis in Europa arriveren en zich staande proberen te houden in een compleet andere cultuur. Een film over dit onderwerp heeft diepe indruk op me gemaakt. Ik ben nu bezig aan een vijfluik hierover. Ik gebruik acryl en gemengde technieken. Dat laatste kan van alles zijn. Acryl is een geschikt materiaal om als ondergrond voor andere technieken te dienen. Inkt of potlood bijvoorbeeld. Maar ik werk ook met kleurenfoto’s uit kranten en stukjes tekst. Ik schilder nu zo’n twintig jaar. Ben begonnen met aquarelleren tijdens een vakantie in de bergen die door de grote hoeveelheid regen dreigde te mislukken. Een nichtje had me een aquarelblok, een penseel en drie tubetjes verf meegegeven, mocht een dergelijke ‘ramp’ zich voordoen. Tot mijn verbazing bleek ik het leuk te vinden. Aquarelleren is als spelen. Je probeert maar wat en als het lukt, lukt het. Heerlijk ongecompliceerd om mee bezig te zijn. Na enkele jaren bleek het toch een te waterige techniek voor mij te zijn. Ik wilde groter, maar vooral krachtiger werken. Dat kon met acryl, materiaal dat bij uitstek geschikt is om de gelaagdheid die mijn werk kenmerkt, tot uitdrukking te brengen. Ik verheug me op mijn expositie. De SOOP ken ik, omdat ik al een paar jaar lid ben van de leesclub. Ik vind het leuk om de bezoekers van de SOOP nu een andere kant van mezelf te laten zien”.

 Interview: Janny Lok

 

 

2008

TEKENAAR SYLVIA VAN BERKEL IN DE SOOP

Op donderdag 9 oktober 2008
om 16.30 uur

vindt in de Gelaghkamer van de SOOP
de opening plaats
van SYLVIA’ s expositie (aquarel, gouash en Siberisch krijt)

“Als het raak is, is het raak”

Ik wil de bezoekers van de SOOP graag verrassen met een mix van mijn dieren, naakten en stadsgezichten. Dat zijn de onderwerpen waar ik me op het ogenblik het meest op concentreer.

 Hoewel ik al zo’n kleine dertig jaar teken, ben ik nog altijd aan het leren: wat is er zwak aan het werk, wat klopt er niet helemaal, hoe en waar kan ik het nog verbeteren. Het komt neer op leren, leren, leren, elke dag. Ik ben van de ene op de andere dag begonnen met tekenen. Mijn opleiding is expressie door woord en gebaar. Verdiende mijn geld met les geven, acteren, dansen en zingen. En als dat soms niet voldoende opleverde was ik kokkin. Het gekke is dat ik wel mijn leven lang heb willen tekenen.

Ik herinner me dat we op de kleuterschool twee kleine ezeltjes tot onze beschikking hadden. Meestal was ik te laat om er eentje te bemachtigen, maar als dat wel eens lukte, was ik altijd doodongelukkig met het resultaat. Ik wilde zo graag tekenen, maar ik kon het niet. Tót ik op een dag - ik was toen al begin dertig - ontdekte waar het aan lag. Wat er toen gebeurde? Ik zag een vogel. Pakte potlood en papier en ging die vogel tekenen zonder ooit een oog van het beestje af te houden. Dát was het. Heel simpel: het constante oog - beeld contact. Dat had ik nodig. Het was een ware Aha - Erlebnis. Vanaf die dag ben ik niet meer gestopt met tekenen. Aanvankelijk werkte ik alleen met grafiet en Siberisch krijt. Pas veel later ben ik met kleur gaan werken. Bij de Open Inloop in het van Gogh Museum ging ik model tekenen en tot vandaag de dag teken ik dieren in Artis.

Ik ben en blijf natuurlijk toch ook een theatermens en in 1996 heb ik 150 duiven gemaakt van krantenpapier uit de hele wereld. Die duiven heb ik vervolgens losgelaten op de Dam. Een ware happening. Ik ben altijd wars van les nemen geweest.

Heb om zo te zeggen mijn eigen opleiding gecreëerd. Wat ik zoek in mijn werk is verdieping van mijn onderwerpen. Onder geen beding wil ik alleen maar mooie plaatjes maken. Met die verdieping ben ik altijd bezig. En ’s nachts droom ik er van. Dat gaat dus duidelijk nooit meer over. Een andere droom die ik heb, is ooit groot te kunnen werken, zodat er een dans ontstaat. Ik houd van beweging in mijn werk. Heb wat je noemt een snelle hand. Ik werk nooit lijntje voor lijntje. Maar veel meer van: als het raak is, is het raak. De laatste tijd ben ik ook gaan schilderen, maar ik voel me nog steeds meer een tekenaar dan een schilder.

Volgend jaar word ik zestig en dan krijg ik een overzichtstentoonstelling in de Amstelkerk. Daar heb ik al eerder een keertje geëxposeerd; toen alleen met mijn stadsgezichten. Op weg naar Artis fiets ik langs de SOOP en dan kijk ik altijd even op de affiches, die op de ramen hangen. Ik vraag me af wie er op dat moment exposeert en of ik even naar binnen zal gaan om te kijken. Soms doe ik dat, soms ook niet. In de SOOP is het heel anders dan ik me voorstelde dat een ouderensociëteit zou zijn. Het is meer een soort gezellige huiskamer met een bar. Een omgeving waar mensen zich duidelijk op hun gemak voelen en elkaar kennen. Ik hoop dat ze mijn werk waarderen.

Hoe dan ook: ik verheug me op mijn expositie.

 Interview: Janny Lok

September 2008

De expositie “VERRASSENDE VLEKKEN”

van buurtbewoner en kunstenaar ELS KRAMER

wordt geopend op donderdag 8 MEI 2008 om 16.30 uur

in de Gelaghkamer van de SOOP

"Mijn werk heeft niets te maken met de werkelijkheid. Ik bedenk het allemaal zelf. Ik begin vaak met een vlek op het papier. En dan ga ik kijken. Wat zie ik allemaal in die vlek. Een soort Rorschach test zou je kunnen zeggen, maar dan voor creativiteit in plaats van intelligentie. Het gaat als het ware vanzelf, er ontstaat iets. Dat ‘iets’ heeft soms te maken met een sprookje, een circus of een theatervoorstelling. Maar het kan ook leiden tot een stilleven of een bepaalde plek, die indruk op me heeft gemaakt. Mijn fantasie kent eigenlijk geen grenzen. Een van mijn schilderijen is begonnen met een grote witte vlek. Daar is toen van alles uit geboren, een elfje, een kabouter en nog veel meer. Tót ik dacht: nu is er genoeg gebaard. Zo moet het worden, nu is het af. Ik ben helemaal gek van kleur. Dus wat er ook uit zo’n vlek te voorschijn komt, het is altijd kleurrijk. Ik hoop maar dat de bezoekers van de SOOP niet kleurenblind worden, als ze naar mijn werk kijken! Ik heb een tijdje geprobeerd abstracten te maken, maar dat is zó verschrikkelijk moeilijk. Dat heb ik opgegeven. Ik blijf bij mijn fantasieën, dat hoort kennelijk bij mij. Ik kom uit een creatief nest. Mijn moeder schreef, mijn vader was componist en mijn biologische vader schrijver. Ik zat bij wijze van spreken te wachten op mijn zestiende verjaardag, want ik wilde naar de Kunstnijverheidsschool en daar mocht je pas op als je zestien was. Tijdens mijn studie daar leerde ik Simon kennen. Op mijn twintigste ben ik met hem getrouwd en nu - inmiddels 47 jaar later - is dat nog steeds het geval! Ik moet je eerlijk zeggen dat ik veel meer van Simon heb geleerd op het gebied van tekenen en schilderen dan op die school. Simon gaf jarenlang groepslessen en ik maakte dan steeds deel uit van zo’n groep. Je leert trouwens ook veel van elkaar, dat is heel leuk. Simon heeft dit atelier waar wij nu zitten praten, al ongeveer een jaar of dertig. Elk jaar houdt hij hier een ‘Open Atelier Dag’ . Op een gegeven moment dacht ik: ik zet mijn werk gewoon tussen het zijne, waarom niet? Het bleek een gigantisch succes te zijn. De bezoekers werden vrolijk van mijn werk en ik verkocht veel. Sinds die tijd doe ik dat elk jaar. Vorig jaar hebben we er voor het eerst een duo-presentatie van gemaakt. Stond mijn naam ook op de uitnodiging. De laatste tijd werk ik graag met krijt. Daar kun je erg veel kanten mee uit. Als je met krijt tekent en op een gegeven moment bevalt het werk je niet meer, dan hou je het gewoon onder de kraan en afrossen maar. Wat over blijft is vaak een uitstekende basis om mee verder te gaan. Ik ken de SOOP al een hele tijd. Was bij de vernissages van Rob Brandes en Evert van Barneveld. En ik heb er ook computerles gehad. Ik vind het leuk dat jullie aan buurtgenoten de gelegenheid bieden hun werk ten toon te stellen. De exposities zijn heel verschillend, daar hebben jullie goed over nagedacht. Ik geef sinds een jaar tekenles. Mensen zijn vaak bang voor een leeg stuk papier. Die angst veranderen in plezier vind ik het allerleukste aan les geven. Mijn zoon Raoul gaat mijn expositie bij jullie inleiden. Hij is trouwambtenaar. Ik ben heel benieuwd hoe hij het huwelijk tussen zijn moeder en haar kunst gaat bezegelen."

Janny Lok

De expositie "Scheepsgezichten"van kunstenaar Rob Metz wordt geopend op donderdag 20 maart om 16.30 uur in de Gelaghkamer van de SOOP

 

 

 

 

 

“De vorm van een schip fascineert me. Vooral die van de ouwe stoomschepen. Alles aan zo’n schip interesseert me, maar ik word het meest geboeid door de machinekamer, het hart van het schip. Om de vorm van de schepen weer te geven maak ik gebruik van sjabloondruk, een grafische techniek. Mijn schepen bestaan niet echt. Ik heb er een paar waarvan de achterkant aan een tjalk doet denken, maar in wezen zijn het allemaal fantasieën in mijn hoofd. Ik teken de vorm zoals die zich aan mij opdringt en leg een sjabloon op het papier. Dan snijd ik alle onderdelen waaruit mijn fantasieschip bestaat, apart uit. Vervolgens ga ik met inktrolletjes over het sjabloon. Zo kleur ik de uitsparingen in en bouw ik het werk op. Tot ik de vorm bereikt heb die ik in gedachten had. Dan begin ik aan de machinekamer. Dat hokje is cruciaal, daar gebeurt het allemaal. Het belang van dit onderdeel benadruk ik door gebruik te maken van tandwieltjes en andere onderdeeltjes van horloges en klokjes. Nee, mijn werk beweegt niet en maakt ook geen geluid. Waar mijn fascinatie voor schepen vandaan komt? Dat heeft alles te maken met het gevoel van vrijheid dat ik krijg bij het zien van schepen en water. Op een schip ben je een vrij mens. Ik heb als kind de oorlog meegemaakt (ben van 1930) en in die jaren nogal wat hand- en spandiensten verricht. Mijn vader drukte illegale krantjes en ik bracht ze weg. Dat was soms behoorlijk heavy. Altijd weer die angst dat een Duitser me aan zou houden en vragen wat ik daar toch wel allemaal onderin mijn karretje had liggen. Dat gevoel van angst en onvrijheid ben ik mijn leven lang nooit meer helemaal kwijtgeraakt.Op de Kunstnijverheidschool heb ik grafische technieken leren kennen. Het sprak me aan en ik ben daarin verder gegaan. Aanvankelijk heb ik voor diverse uitgeverijen gewerkt en me gespecialiseerd in het maken van boekomslagen. Eind jaren zestig ben ik voor mezelf begonnen en wat je noemt ‘in de kunst gegaan’. Door de combinatie van particuliere opdrachten voor het maken van boekomslagen en de verkoop van mijn werk is dat redelijk gelukt. Ik ken de SOOP omdat ik een paar keer bij openingen van tentoonstellingen van bevriende kunstenaars ben geweest. En ik heb er ook een computercursus gevolgd. Ik heb wel iets met de SOOP, wip er graag zo nu en dan even binnen. Kopje koffie drinken, praatje maken met deze of gene. Het is er heel informeel. Ik vind het leuk dat Ingeborg Kurpershoek me vroeg of ik er wilde komen exposeren en ik ben benieuwd  naar de reacties van de bezoekers op mijn schepen”.
Interview: Janny Lok  

 

 

 

De expositie “DE SPANNENDE WERKELIJKHEID”

van kunstenaar en buurtbewoner GEERTJE AUKEMA

wordt geopend op DONDERDAGMIDDAG 7 FEBRUARI om 16.30 uur

in de Gelaghkamer van de SOOP.

 

 

Ik wil de bezoekers van de SOOP graag laten zien hoe spannend het is wat je allemaal met je ogen kunt waarnemen. Dat blijft me boeien: de lichtval, de ruimtelijkheid, de kleuren, dat soort dingen. Ik werk figuratief. Dat betekent voor mij kijken naar de werkelijkheid en daar zo dicht mogelijk bijkomen. En tegelijkertijd probeer ik aan het banale van diezelfde werkelijkheid te ontsnappen door er zo ver mogelijk in door te dringen. In dat spanningsveld maak ik mijn werk. Dat lukt alleen als je heel intensief kijkt en voor de volle honderd procent geconcentreerd bent; als je op tijd stopt en een tijdje alleen maar als het ware vanuit je ooghoeken naar het werk kijkt. Pak je het dan later weer op dan zie je wat al goed is en vooral wat nog beter kan. Ik heb de neiging te lang door te gaan, maar wat dat betreft gaat het steeds beter. Soms moet je iets wel in één keer afmaken. Zoals wanneer je probeert aardbeien of anemonen te schilderen. Die verpieteren natuurlijk erg snel. Mijn studiejaren aan ‘de Rietveld’ en later aan de Rijksacademie vonden plaats in een tijd dat de kunstenaarswereld nogal neer keek op figuratief werken. Men vond het oubollig en ouderwets. Alles moest abstract of conceptueel zijn. Ik koos beeldhouwen als afstudeerrichting en daar heerste deze opvatting nóg meer dan op de afdeling vrije grafiek en schilderen. Maar ik heb altijd willen vastleggen wat ik zie en daarin ben ik nooit veranderd. Ik ben vóór alles op zoek naar helderheid; wil precies begrijpen wat ik zie. Een voorbeeld? Ik vind paarden geweldig. Om de vorm er van goed te begrijpen wil ik zo’n paard dan ook tot in de kleinste details leren kennen. Precies weten bijvoorbeeld hoe een oor in elkaar zit. Of een enkelgewricht. Het liefst zou ik een paard mee naar mijn atelier willen nemen. Om er eindeloos naar te kunnen kijken. In wezen doe ik dat ook. In mijn hoofd. En daarmee ga ik aan het werk. Om het goed in je vingers te krijgen moet je keihard werken en eindeloos prutsen. Door paarden te boetseren leer ik veel over vorm en ruimtelijkheid, wat me goed van pas komt bij het schilderen. Ik heb nu ook enkele “olieverf - paarden” en daar neem ik wel iets van mee naar mijn expositie bij de Soop. Naast schilderen en beeldhouwen houd ik me bezig met het verven van textiel. In een eigen laboratorium voorzien van twee verfmachines, verf ik kleurstalen in opdracht van confectiebedrijven. Het is intrigerend werk en het betekent brood op de plank. Een expositie bij de Soop is voor mij een goede gelegenheid mijn werk te laten zien aan een grote groep buurtgenoten. Ik was er kortgeleden nog voor het Kerstconcert. Er heerst een ontspannen sfeer en het bruist er van activiteit."

 Interview: Janny Lok

2007
 

Eddy Varekamp en Shirley Clement

De expositie AQUAREL en  GRAFIEK

van SHIRLEY CLEMENT en EDDY VAREKAMP

wordt geopend in de Gelaghkamer van de SOOP

op DONDERDAGMIDDAG 6 DECEMBER om 16.30 UUR.

U bent van harte welkom!

Interview met Eddy

EDDY:

“ Vergelijk me maar met een bakker; die maakt brood, ik prenten”

Ik ga bij de SOOP een gedeelte van de Gelaghkamer versieren met een serie prenten van Amsterdam. Van de Bloemgracht tot de Rechtboomsloot en van de Gay Parade tot de Nieuwmarkt. Het gaat om een serie van tien stuks. Grotendeels linoleumdruk, maar ook een enkele zeef - en sjabloondruk. Ik vind het interessant om al die verschillende grafische technieken te combineren. Hoe handmatiger ik kan werken, hoe plezieriger ik het vind. De meeste prenten produceer ik in mijn eigen atelier, maar soms maak ik gebruik van de faciliteiten van het Amsterdams Grafisch Atelier. Voor het maken van zeefdrukken bijvoorbeeld. Daar komt giftig spul bij kijken en dat heb ik liever niet in mijn eigen atelier. Ik woon er boven en daar loopt nog een zeer jong kind rond, dus je snapt wel dat ik met dat soort zaken een beetje voorzichtig ben. Ik heb al sinds jaar en dag een eigen galerie in de Hartenstraat. Ik werk ook samen met andere galeriehouders als dat zo uitkomt. Ze kopen dan werk van mij en maken daar vervolgens zelf een tentoonstelling van. Sinds ik een eigen galerie heb komt het niet vaak meer voor dat ik ergens anders exposeer. Maar ik vond het leuk dat Peter Moorrees met het idee kwam de bezoekers van de SOOP te laten kennismaken met mijn grafisch werk. Ik houd niet zo van solo-optredens en daarom heb ik Shirley Clement gevraagd samen met mij bij jullie te gaan exposeren. Een groter contrast tussen ons beider werk is bijna niet voor te stellen. Maar juist daarom denk ik dat het een boeiend geheel gaat opleveren. De tijd zal het leren”.

Interview: Janny Lok

 

 

Interview met kunstenaars en buurtgenoten

PETER DE LEEUWE en RONALDA BODDÉ

ter gelegenheid van de expositie “Hommage aan de Plantage”

in de Gelaghkamer van de SOOP  van 8 november tot  en met 5 december .

PETER DE LEEUWE:               

De schilderijen die ik wil laten zien, hebben te maken met de Plantage. Mede daarom vind ik het leuk om in de SOOP te exposeren. De Nieuwe Kerkstraat hoort tenslotte tot de Plantagebuurt. Waarom ik de Plantage als onderwerp heb gekozen? Dat heeft o.a. te maken met de architectuur. Die mooie individuele huizen uit de tweede helft van de 19e eeuw vind ik heel bijzonder. En dan de ruimtelijkheid. In de rest van Amsterdam is alles zo geconcentreerd, zo weinig ruimtelijk. Maar in de Plantagebuurt kun je tussen de huizen door nog genieten van prachtige luchten en van groen, zoals het Wertheimpark. Wat bij mijn keuze voor de Plantage ook meespeelt, is de geschiedenis van de buurt. Er hangt een schaduw van de oorlog over. Dat alles bij elkaar maakt de buurt voor mij zo ontzettend interessant om te schilderen. Mijn werk zou je romantisch realistisch kunnen noemen. Gebaseerd op de realiteit, maar met een sterk romantische kant. Ik geef je een voorbeeld. In een van mijn schilderijen van de Hollandse Schouwburg is een belangrijke plaats ingeruimd voor de tramrails in de Plantage Middenlaan, omdat die voor mij symbool staan voor het wegvoeren van de joden. Ik voeg een dergelijk element toe, omdat ze het werk een meerwaarde geven en sfeerbepalend zijn. Ik kom oorspronkelijk uit Den Haag en heb daar de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunst gevolgd. Dat was een heel degelijke, ambachtelijke opleiding. Ik ben begonnen als beeldhouwer. Zo om en nabij mijn dertigste ben ik daarnaast ook gaan schilderen. Beeldhouwen en schilderen liggen dicht bij elkaar. Wat je niet goed in een beeld kunt uitdrukken lukt vaak wel in een schilderij en andersom. De combinatie schilderen en fotograferen is overigens ook een hele interessante. Foto’s kunnen het werk versterken, maar anderzijds ook heel precies contrasten laten zien. Daarom vind ik het leuk dat ik bij de SOOP samen met mijn vriendin Ronalda Boddé exposeer. Zij  is fotograaf  en net als ik zeer geboeid door de Plantagebuurt.

 

RONALDA BODDÉ:      

              

Met mijn foto’s wil ik de bezoekers van de SOOP graag laten zien wat licht is en wat licht kan doen. Ik heb mijn foto’s genomen vanuit één en hetzelfde punt: mijn raam op de vierde étage op het Entrepôtdok. Over het water heen neem ik de wolken en pik dan nog net wat gevels van de Plantage Kerklaan mee. Sommige foto’s schelen maar een seconde in opnametijd; je ziet het licht schuiven en de wolken zien er steeds anders uit. Als het donkerder wordt, verandert ook de kleur van het water. Heel fascinerend. Ik deed jaren lang de belichting bij een Theatergroep. Door dat werk ontdekte ik wat licht allemaal kan doen. Toen ben ik in mijn vrije tijd gaan fotograferen. Het werkt verslavend. Ik kan geen zon zien ondergaan of een dreigend onweer aan zien komen of ik pak mijn toestel. Ja zeker, ik heb ’m altijd bij me. Ik hoop met mijn foto’s iets toe te voegen aan Peter’s expositie. De SOOP kende ik al; ben er een aantal keren als gast geweest bij vernissages van kunstenaars die ik kende. Er hangt een gezellige sfeer en ik voelde me er meteen thuis. Ik verheug me op de opening en als er gelegenheid voor is wil ik graag iets voorlezen uit mijn pas geschreven boek ‘Oma zit op de kast

Interviews: Janny Lok

NILS WIELAND exposeert in de Gelaghkamer van de SOOP

van donderdag 5 juli tot en met woensdag 12 september 2007.

“Altijd op zoek naar iets dat ik zelf niet kan doorgronden”

 “Misschien typeer ik mezelf nog het meest adequaat met het woord ‘multi-artiest’. Op allerlei manieren probeer ik altijd met kunst en schoonheid bezig te zijn, of het nu om gitaar spelen, zingen, componeren, het schrijven van songteksten of gedichten, tekenen of schilderen gaat. Op mijn zestiende deed ik toelatingsexamen conservatorium: klassiek gitaar. Na deze opleiding nam ik nog een half jaar klassiek zangles. Daarna heb ik geprobeerd, en dat doe ik nog steeds, om mezelf verder te ontwikkelen. Sinds ruim tien jaar schilder ik; ben een autodidact op dit gebied. Eerst maak ik tekeningen ‘in het veld’ die ik vervolgens in de huiskamer vertaal naar schilderijen. Aanvankelijk wilde ik het bij tekenen laten. Het heeft vier jaar geduurd voordat ik een tekening in een schilderij durfde om te zetten. Bij een goede vriend, schilder en ex-leraar aan de Rietveld Academie, sloeg mijn eerste schilderij goed aan. Een enorme stimulans voor mij om door te gaan. De vriend in kwestie kocht het doek overigens later nog aan ook. ‘In het veld’ tekenen betekent voor mij vrijwel automatisch het Amstel-gebied. Een geschiktere keuze kan ik me nauwelijks voorstellen. Ik schilder uitsluitend met olieverf; het past goed bij mijn nogal traditionele aanpak. In mijn werk refereer ik soms, met gepaste afstand en respect natuurlijk, aan de meer impressionistische werken van bijvoorbeeld Van Gogh, maar ook aan het werk van een ‘magisch realist’ als René Magritte. Wat ik wil overbrengen op de kijker? Het zal vast niet bij elk doek lukken, maar ik zou graag willen dat de in mijn schilderijen verbeelde werkelijkheid (huizen, bomen, struiken en water) bij de observeerder transformeert naar een soort visioen. Ik hoop bij de mensen een persoonlijke, innerlijke beleving op te roepen. Overigens zijn er op deze tentoonstelling enkele doeken van niet meer bestaande Amstelhuizen en ‘buitens’ te zien, die ik op basis van overgeleverde gravures op eigen wijze heb geïnterpreteerd. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat de ‘werkelijkheid’ op mijn doeken eerder een middel is dan een doel. We worden in deze wereld vaak geconfronteerd met alles behalve poëtische zaken en gebeurtenissen. Met mijn schilderijen wil ik laten zien dat er ook nog zoiets als schoonheid en poëzie bestaat. Als mensen het gevoel krijgen: ‘hé, hier gebeurt iets, er is hier meer aan de hand dan wat ik zie’, dan heb ik mijn doel bereikt. Het type mensen dat ik bij de SOOP heb ontmoet heeft serieuze belangstelling voor kunst en cultuur. Daarom vind ik het interessant om daar mijn ‘landschappen-met-dubbele-bodem’ ten toon te stellen. De muzikale omlijsting tijdens de vernissage op 5 juli a.s. zal bestaan uit een vriendentrio: piano, bas en ikzelf als zanger. Als iemand meer over mijn werk zou willen weten dan kan dat via mijn website: www.nilswieland.nl.

 Interview: Janny Lok, mei 2007.

 

ELS SCHOLTEN exposeert in de Gelaghkamer van de SOOP

 

van donderdag 24 mei tot en met woensdag 04 juli 2007

 U bent van harte welkom op de

feestelijke opening van haar expositie

“AMSTERDAM IN LINO”

op donderdagmiddag 24 mei om 16.30 uur.

 

“Heb je de pest in? Ga gutsen in linoleum, je snijdt alles van je af”

 

Toen Bob van Amelrooij me vroeg of ik bij de SOOP wilde exposeren, reageerde ik meteen positief. Je wilt toch graag dat zoveel mogelijk mensen kennis kunnen maken met je werk. Ik ken de SOOP een beetje en schat de bezoekers in als mensen die geïnteresseerd zijn in Amsterdam. Ik kom dus met een aantal werken, die herkenbaar zullen zijn voor veel mensen. Allemaal Amsterdamse plekken en oorspronkelijk gemaakt voor de Historisch-Topografische Atlas van het Gemeentearchief Amsterdam. Deze historische collectie topografische tekeningen en prenten wordt sinds 1934 aangevuld met eigentijdse beelden van de stad. Aanvankelijk moest je als kunstenaar worden uitgenodigd hieraan mee te doen - men heeft mij bijvoorbeeld ergens in de jaren negentig daarvoor benaderd -, maar nu kan iedereen eenmaal per jaar werk aanleveren dat met de stad te maken heeft. Daaruit worden enkele stukken geselecteerd en aangekocht. In1998 had men inmiddels ruim 20 linosneden van mij aangekocht en in dat jaar werd mijn werk bekroond met de Hans Jaffé prijs. Wat mijn fascinatie met lino’s is? Je kunt met simpele vormen hele complexe beelden maken. En je ziet meteen het resultaat. Heel belangrijk, want je bent natuurlijk ontzettend nieuwsgierig hoe de afdruk er uit komt te zien. Het zal verder ook wel te maken met mijn onafhankelijke geest. Ik heb graag alles onder contrôle. Voor het maken van lino’s hoef ik de deur niet uit. En ik  kan er aan werken op elk moment dat ik daar zin in heb. Ik heb aanvankelijk ook wel geëtst en aan lithografie gedaan. Maar ik vond het erg bewerkelijk allemaal. Moest altijd ergens anders naar toe om gebruik te maken van een pers. Nee, lino’s zijn het helemaal voor mij, ik ben er inmiddels zo’n 26 jaar mee bezig. Ik begin met het fotograferen van mijn onderwerp. De foto laat ik spiegelbeeldig afdrukken en vervolgens kopiëren op het formaat van de lino die ik wil maken. Ik gebruik glad linoleum en snij dat met een stanleymesje op het juiste formaat. Dan begint het zogenaamde gutsen. Met verschillende gutsmesjes (sommige in V-vorm, andere met bolletjes) snij je in de lino. Gutsen in dat stugge linoleum vergt behoorlijk wat energie.  Je gebruikt al je spieren om de nodige kracht te zetten. Het is lekker en bevrijdend. Ik kan het iedereen aanraden: heb je de pest in, ga gutsen in linoleum, je snijdt alles van je af. Door het gutsen is er hoogteverschil ontstaan. De hoger gelegen vlakken pakken de inkt als je er met de roller over heen gaat. Hoe de zwart-wit verhouding er precies uit komt te zien laat ik aan het toeval over. Dat maakt het juist zo spannend. Voor de afdruk gebruik ik heel dun Japans rijstpapier. Nog even iets over mezelf: ik ben geboren en getogen in Enschede en sinds 1986 Amsterdammer. Na mijn  opleiding aan de AKI (Akademie voor Beeldende Kunst en Industrie) te Enschede heb ik de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam gevolgd. Behalve lino’s en andere kunstobjecten maken, werk ik parttime als dierenartsassistente. Voor mij een ideale combinatie. Ik verheug me er op veel bekende en onbekende buurtgenoten (ik woon in de Plantage Kerklaan) op 24 mei bij de opening van mijn expositie  te treffen

Interview: Janny N. Lok

 

EVERT VAN BARNEVELD exposeert

in de Gelaghkamer van de SOOP

 

van donderdag 5 april tot en met woensdag 23 mei 2007.

 

U bent van harte welkom op de

feestelijke opening van zijn expositie

“SCHEUREN en PLAKKEN”

op donderdagmiddag 5 april om 16.30 uur.

 

“Door te scheuren gaat er wat gebeuren”

 

Als puber liep ik het Stedelijk Museum al plat. Maar mijn vader zei: ‘van de kunst kunnen maar weinig mensen leven’. En dus werd ik brillenmaker, want dat vak beoefende vrijwel iedereen in onze familie. Het bloed kroop toch waar het niet gaan kon: al mijn vrienden waren kunstschilder of onderweg om dat te worden. En ik trouwde met een meisje, dat ook in de kunst zat. Het werd uiteindelijk niks tussen die brillen en mij. Ik ging op les bij een kunstschilder. De hele basis van het schilderen en de compositieleer heb ik bij hem opgestoken. Maar het allerbelangrijkste was dat die man me leerde kijken. Vele jaren later heb ik weer les genomen. Nu bij een van zijn allerbeste leerlingen. Het werk dat ik aanvankelijk maakte, zou ik nu typeren als nogal wild en explosief. En altijd uit het hoofd. Ik maakte natuurlijk wel gebruik van wat ik om me heen waarnam, maar als ik eenmaal begon had ik het helemaal niet meer in de hand. De laatste jaren is mijn werk veranderd. Rustiger, meer gerijpt. Wat minder spontaan wellicht ook. Ik maak nu vaak eerst een foto van iets dat ik graag wil schilderen. Niet dat je later veel van de foto terugvindt in het werk; je moet het eerder zien als een bron van inspiratie. Ik gebruik nu ook andere technieken dan vroeger. Maak eigenlijk alleen nog collages met gouache. Wat je daarvoor nodig hebt? Alleen papier, lijm en een kwast. Ik werk met heel dun door mijzelf gekleurd papier. Dat papier  is zo dun, je kunt er bijna doorheen kijken. Het voegt gemakkelijk en je kunt er andere kleurtjes overheen plakken. Ik gebruik nogal eens pakpapier als achtergrond. Dat bruinachtige papier zet ik dan tegen de lichtere kleuren aan, waardoor het geheel een soort goudachtige uitstraling krijgt. Het geeft een extra effect bij het schilderen. Scheuren is een wet, er mag absoluut geen schaar aan te pas komen. Juist door te scheuren gaat er wat gebeuren. Je weet vooraf niet hoe het papier kapot zal gaan. Dan ga je plakken. Vaak ontstaat er iets heel anders dan wat je in je hoofd hebt. Daardoor is collages maken juist zo spannend. Met een aantal bevriende Amsterdamse schilders hebben we in 1990 ‘Collectief Blauw Amsterdam’ opgericht. Soms exposeren we samen.  Zoals op het ogenblik bij de VPRO in Hilversum. De SOOP heb ik leren kennen door de expositie die Rob Brandes een tijdje geleden bij jullie heeft gehad. Dat leidde tot mijn deelname aan een computercursus en een vraag van jullie kant om in het najaar een cursus ‘scheuren en plakken’ te komen geven. Daar verheug ik me nu al op. Ik voel me thuis bij de SOOP; het is er gezellig en ik hoop dat me op donderdag 5 april een leuke opening te wachten staat.

 

Interview: Janny Lok

 

Rijk van den Hoek’s tentoonstelling

‘MASKERS VAN KLEI’

wordt geopend in de Gelaghkamer van de SOOP

op donderdag 8 Februari 2007 om 16.30 uur.

 

“Raku stoken is altijd weer een avontuur”

Ik heb wel eens op een clubje gezeten, waar we tekenden en schilderden. Ik deed mijn best, maar het resultaat was nooit naar mijn zin. Werken in twee dimensies ligt me kennelijk niet zo. Boetseren gaat mij veel beter af. Ik werk met witbakkende klei. Je kunt geboetseerde figuren natuurlijk gaan beschilderen met alle tinten die je maar wilt, maar ik doe dat zelden. Ik vind dat het al gauw “tuinkabouter”- effecten geeft. Het gaat mij vooral om de vorm; kleuren leiden af. Glazuren en raku stoken geven ook effecten aan een werkstuk, maar leiden niet of nauwelijks af van de vorm. Klei is een van de eerste materialen waarmee de mens ging werken. Het is door wind en water afgesleten en fijngemalen steen. Een natuurproduct dus. Klei is - net als de mens - deel van de aarde. De eerste vormen die mensen maakten, waren gemaakt van klei. Sinds een paar jaar houd ik me bezig met raku stoken. Het werkstuk dat je hebt gemaakt, gaat allereerst de oven in om te worden gebakken. Als het na afkoeling hard is geworden, smeer je er een speciale glazuur op. Daarna gaat het weer de oven in. Vervolgens wordt het even blootgesteld aan de buitenlucht, waardoor er barstjes springen in het glazuur. Dan gaat het - nog steeds gloeiend heet - in een grote bak met zaagsel. Deksel er op. Binnen in de bak gaat het smeulen en ontzettend roken. De rook trekt in de barstjes en vertaalt zich in het eindproduct als zwart craquelé. Raku stoken is altijd weer een avontuur. Je weet nooit hoe de zwarte streepjes zullen lopen. En of er veel of weinig streepjes zullen verschijnen. Door ervaring en heel zorgvuldig werken kun je de uitkomst wel steeds een beetje beter voorspellen. Maar sturen is er niet bij. Ik vind het een fascinerende bezigheid. Ongeveer twee derde van het tentoongestelde werk is raku gestookt. Mijn fascinatie betreft overigens niet alleen het boetseren en alles wat daar bij komt kijken. Ook met de achtergronden houd ik me bezig. Bij het maken van maskers verdiep ik me bijvoorbeeld in onderwerpen, die er direct of zijdelings mee te maken hebben zoals natuurgodsdiensten en voorouderverering. Dat maakt het allemaal extra spannend. Bij de Soop geef ik twee cursussen boetseren, één voor beginners en één voor gevorderden. Ik probeer de mensen te leren hun hersens op een wat andere manier te gebruiken dan tot nu toe; creatiever en meer op het gevoel gericht. Dat lukt heel aardig. Er komen vaak ontroerend mooie beeldjes uit, heel gevoelig en met veel liefde gemaakt. Het gaat soms wel gepaard met gezucht, gevloek en gesteun, maar het plezier in het creëren en het gevoel van trots als iets uiteindelijk lukt, overheerst. Mensen die dachten niets creatiefs in zich te hebben, verbazen zich zelf regelmatig. Kortom: het is voor mij meer dan de moeite waard daar een deel van mijn tijd en aandacht aan te geven.

Interview: Janny N. Lok

 

AQUARELLEN en GEDICHTEN van SONJA DWINGER

in de Gelaghkamer van de SOOP tot medio januari 2007.

 “De aquarel is de voortzetting van mijn bloedsomloop in water”

"Aquarelleren is echt mijn techniek. Past heel goed bij mijn karakter. Ik ben direct en impulsief; dat geldt ook voor de aquarel. Met gouashes en olieverven kun je eindeloos doorgaan, dingen veranderen. Dat kan niet met aquarelleren. Ja, je zou het werk natuurlijk kunnen afwassen, maar dat doe ik niet. Bij aquarelleren moet het er meteen stáán, het moet direct goed zijn. Natuurlijk begint alles met goed kunnen tekenen.Tekenen is de basis, oftewel de moeder van alle schilderkunst. Ik heb getekend vanaf het ogenblik dat ik een potloodje vast kon houden. Na mijn middelbare schooltijd wilde ik graag naar de kunstnijverheidsschool. Dat mocht niet van mijn vader. Hij vond dat ik een vak moest leren waar ik later altijd mijn brood mee zou kunnen verdienen. Dat werd mode tekenen op de mode vakschool. Later - getrouwd en moeder  - heb ik jarenlang model getekend. Daar heb ik niet alleen écht leren tekenen, maar vooral ook leren kijken. Ik heb keihard gewerkt; het duurt heel lang voor je het helemaal onder de knie hebt. Toen ik dieren in Artis ging tekenen gebeurde het. Die dieren bewegen steeds, zodat het lastig is ze goed te tekenen. Zonder dat ik me er erg bewust van was sloeg ik de tekenfase over en pakte meteen verf, penseel en water. En dat doe ik nu al ruim dertig jaar. Toen mijn jongste kind zo’n jaar of 16 was, heb ik me in de vrije kunst gestort. Zelf contacten zoeken, met mijn mappen op pad. Een vriend zei: ‘die aquarellen van jou zijn heel geschikt voor ansichtkaarten’. En zo kwam ik bij de kaartenuitgeverij Art Unlimited terecht. Aanvankelijk namen ze alleen mijn katten, maar later ook andere dieren, bloemen en landschappen. Het was goed voor mijn bekendheid. Mijn eerste tentoonstelling had ik bij Galerie de Sphinx op de Oude Zijdsvoorburgwal. Daarna ging het snel. Na 140 tentoonstellingen ben ik gestopt met tellen. Sinds 2001 zit er o.a. werk van mij in het Rijksprentenkabinet van het Rijksmuseum, het Theatermuseum, het Kattenkabinet - alle drie in Amsterdam -  en het Teylers-museum in Haarlem. Ik heb me nooit willen binden aan een bepaalde galerie, wil me helemaal vrij voelen. Als jong meisje maakte ik altijd gedichten. Je kent dat wel: over de mist en over de dood, van dat soort puberteitonderwerpen. Veel later in mijn leven dacht ik: het zou toch wel leuk zijn om bij mijn aquarellen gedichten te maken. In 1994 verscheen mijn eerste boekje, later heb ik er nog twee gemaakt ‘de Bejaarde Bok’ en ‘Oi, die Poes’. Aquarelleren blijft overigens prioriteit, maar het maken van gedichten ervaar ik vaak als bevrijdend. Wat dat aquarelleren betreft nog even: je krijgt in de loop der tijd een eigen handschrift. Mijn werk is o.a. herkenbaar doordat ik kleine gedeeltes wit laat. De meeste kunstenaars vullen die stukjes wit later op, maar bij mij blijven ze staan. Ze geven iets abstracts aan mijn  werk en staan als het ware symbool voor mijn - snelle - werkwijze en voor de emotie, die het werk bij mij oproept. Die witte gedeeltes zijn daardoor een belangrijk onderdeel van mijn handschrift geworden. De SOOP ken ik omdat Wiljen van Seters’ boekje  “Eetbare Mannen” bij jullie ten doop is gehouden en omdat Jeanne Wesselius er onlangs een expositie had. Bij beide gebeurtenissen was ik aanwezig. Ik vond de sfeer bij de SOOP bijzonder, voelde me er meteen op mijn gemak. Ik exposeer er graag mijn werk en hoop dat veel mensen er met plezier naar zullen kijken.

 Interview: Janny N. Lok, november 2006.

 

2006

 

INTERVIEW MET KUNSTENAAR en BUURTBEWONER

HANS GRITTER

"Op mijn vijftiende had ik al een expositie en werd er werk van mij aangekocht door het Rijk. Ik kom uit een Haags schildersnest: beide ouders kunstschilder en altijd veel kunstenaars over de vloer. Je denkt nu waarschijnlijk dat ik na mijn middelbare school wel naar de Koninklijke Academie in Den Haag ben gegaan, maar dat gebeurde niet. Mijn ouders zeiden: ‘ tekenen en schilderen kun je al, ga nu maar een vak leren’. Op mijn achttiende ben ik naar Amsterdam gegaan, Frans studeren aan wat toen de GU (Gemeente Universiteit) heette. Nee, niet naar Leiden. Amsterdam had voor mij een magische klank, er was daar van alles aan de hand. Ik heb het nu over de jaren zestig. Ik woonde vlakbij het Lieverdje aan het Spui en heb het allemaal meegemaakt. Het bloed kruipt overigens waar het niet gaan kan en ik heb tijdens mijn studie ook nog twee jaar avondonderwijs gevolgd aan de Rijksacademie aan de Stadhouderskade. In 1968 studeerde ik af en werd leraar Frans aan een Scholengemeenschap in Voorburg. Ik leidde in die tijd een soort dubbelleven. Elke dag vroeg op om op tijd op mijn werk te zijn en ’s avonds naar het Lieverdje. Korte nachten, een wilde tijd. Provo-beweging, Maagdenhuisbezetting, enz. Met een stelletje oud-provo’s en kunstenaars als Roel van Duijn, Peter Schat en Gerben Hellinga hebben we in 1973 Ruigoord gekraakt en zijn er gaan wonen. Vaste baan opgezegd, een tijdje sandalen gemaakt, psychologie gestudeerd en me gestort in het Ruigoordse leven: sex, drugs en rock & roll. Bijna dertig jaar van mijn leven heb ik er gewoond, gewerkt, liefgehad, kinderen grootgebracht, acties gevoerd voor het behoud van dat schitterende natuurgebied. En natuurlijk geschilderd. Vooral dat moerassige duingebied, bekend als het Zand van Joop den Uyl. Ik heb werk gebracht bij de toen bestaande BKR (Beeldende Kunstenaars Regeling, JNL) en dat genereerde wat inkomen. Verder deed ik het niet slecht bij de Kunst-uitleen. In die tijd ben ik ook begonnen met exposities. In Nederland, maar ook in Zwitserland. Daar had ik tot voor kort een vaste galerie. Mijn manier van schilderen?  Ik ben meer een tekenaar en aquarellist dan een olieverfschilder. Ik schilder het liefst op rijstpapier. Dat zuigt meteen de verf op. Je kunt het niet uitwassen of er opnieuw overheen schilderen. Ik probeer met mijn penseel in één keer de juiste beweging te maken. Ik moet het hebben van inspiratie, van spanning en de daaruit voortkomende concentratie. Dat leidt tot mooie, vloeiende lijnen en vlekken.  Vergelijk het maar een beetje met de Japanse en Chinese schilderkunst of met Picasso, waarbij de lijnen ook zo belangrijk zijn. Daarom zijn onderwerpen als dansers en danseressen, mensen die muziek maken of om een andere reden in beweging zijn, zo geschikt voor mij. Weet je wát moeilijk is? Op het juiste moment stoppen. Ga je te lang door dan verdwijnt de spanning. Sinds 2002 woon ik op het Entrepotdok. Van de Soop wist ik tot voor kort alleen dat je er op donderdagmiddag kunt gaan schaken. Ik ben benieuwd naar de reacties van de buurt op mijn werk dat daar nu in de Gelaghkamer hangt."

Interview: Janny N. Lok, oktober 2006.

 

 

“DIEREN IN DE SOOP”

expositie van schilder en schrijver JEANNE WESSELIUS

van dinsdag 4 juli tot en met maandag 28 augustus 2006.

 

 

 

“REIGERKOLONIE IN ARTIS”

gedicht van JEANNE WESSELIUS.

Artis – tijdschrift,

jaargang 52, nummer 2, 2006.

 

 Toegankelijk door kale bomen,

vliesdun begin, wordt om

partners gevlogen, gebekvecht,

nesten betwist, vrolijke noot,

tegen een papierlichte lucht.

 

Wijdbeens waait een reiger aan,

vervoert zijn bijdrage vol

overgave, goed voor stuntwerk.

Jeugd kijkt toe, ziet af,  prutst

wat op een dwarse tak. Los hout.

 

Paren klitten in oksels van

de bergiep, de kruin biedt

uitvlucht in dit jaargetijde.

Niet iedere boom is favoriet,

de zachte berk is vogelvrij.

 

Jeanne Wesselius.

 

"Ik was al in de dertig toen ik met tekenen begon. Het werd een passie die tot vandaag is gebleven en ik ben nu 74. Ik heb als kind wel eens een hondenkop of iets dergelijks nagetekend, maar daar bleef het dan ook bij. Na de meisjes - mulo ben ik  kantoorjuf geworden. Vanaf mijn vijftiende jaar, bij veel verschillende bedrijven. Eerst in Leiden waar ik geboren ben en later in Amsterdam. Naar Amsterdam verhuizen voelde als emigreren, als een nieuw leven Ook daar vond ik weer een plezierige kantoorbaan. Toen ik in verwachting was van mijn zoon ben ik met werken gestopt. Dat ging zo in die tijd. Later kregen we nog een dochter. Het was allemaal heel leuk hoor, maar ik ging me stierlijk vervelen thuis., de muren vlogen me aan. Mijn man schilderde in de weekends en vakanties altijd en op een keer zei ik tegen hem: ‘dat wil ik eigenlijk ook wel. Kun je me dat niet leren?’  Hij gaf een wijs antwoord: ‘nee, dat kan ik je niet leren, dat moet je helemaal zelf doen en heel veel oefenen’. Ik ging naar de Volksuniversiteit, naar het van Gogh Museum, waar tekenles werd gegeven en sloot me aan bij de Zondagschilders. Ik besteedde veel tijd aan modeltekenen en aquarelleren van stillevens en portretten. Op een gegeven moment ging ik fantaseren over écht schilderen met échte olieverf. Ik kwam in contact met Anton Rovers. Een gepassioneerd schilder, die me wel wilde begeleiden. Van die man heb ik ontzettend veel geleerd. Vijf jaar lang ging ik elke week naar hem toe. Op een gegeven dag zei hij: ‘nu mag je het verder zelf uitzoeken’. Tot zijn dood ben ik daarna eens per maand bij hem blijven komen. Voor de gezelligheid - ik nam voor die gelegenheden altijd een taartje van Holtkamp mee - , maar vooral ook om te laten zien waar ik mee bezig was. Zijn oordeel was voor mij ontzettend belangrijk. Toch heb ik nooit iets geschilderd dat leek op zijn werk. Schilderen komt uit jezelf, net als schrijven. Dat doe ik óók graag. Bij voorkeur poëzie. Wat ik schilder? Dieren, landschappen, muzikanten. Vaak in groepjes: een stelletje koeien, schapen, een zangkoor of een orkestje. Dat soort dingen. Ik ben lid van de Onafhankelijken, een groep tekenaars en schilders waar ik me thuis bij voel.  Als ik werk begin ik met het maken van snelle krabbeltjes of ik fotografeer. Thuis werk ik het dan verder uit. Ik gebruik dan bruine inkt, gouache of olieverf.

Ik ‘krabbel’ graag in Artis. Heb destijds nog een serie van de mandrilfamilie gemaakt. Vond het vreselijk toen ze achter elkaar dood gingen. En reigers. Ik ben dol op reigers, het zijn indrukwekkende vogels. In het blad  ‘Artis’ van april staat een gedicht van mij over de reigerkolonie. Schilderen en schrijven zitten elkaar nooit in de weg. Soms heb ik zin in het een, dan weer in het ander. Ik laat het maar komen. In de Soop exposeer ik een keuze uit mijn dieren. Ik ken de Soop omdat een vriendin van mij daar heel enthousiast over is en ik was bij de presentatie van Wiljen van Seters’ dichtbundel ‘Eetbare Mannen’, die bij jullie werd gehouden. Ik vind het een leuk idee dat Soop-bezoekers deze zomer mijn dieren gaan ontmoeten."

Interview: Janny N. Lok

 

LANDSCHAPPEN en STADSGEZICHTEN,

expositie van kunstenaar JOSUA de Jong

in de Gelaghkamer van de SOOP

van woensdag 3 mei tot en met maandag 3 juli 2006.

"Tijdens een bijeenkomst voor aankomende studenten biologie - ik heb het nu over de jaren zeventig - zei een van de voorlichters: ‘als jullie zijn afgestudeerd kun je maar het beste een biologisch dynamische patat-kraam beginnen’. Dat toekomstbeeld sprak mij niet bijzonder aan. Mijn vader gelukkig ook niet en zo kwam alsnog mijn grote wens uit: ik mocht naar de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. Vanaf mijn prille jeugd wist ik namelijk al heel zeker dat ik later schilder wilde worden. Overigens ben ik daar na één jaar afgegooid. Ik was te eigenwijs. Vanaf dat moment - ik was begin twintig - heb ik mijn eigen weg gezocht. En dat doe ik nu al zo’n dertig jaar. In de eerste jaren verdien je bijna niks. Dat werd een kwestie van bijklussen; huizen opknappen en zo. Het ging steeds beter en dus:   minder klussen, meer tijd om te schilderen. En de afgelopen vijftien jaar heb ik helemaal niet meer hoeven klussen. Hoe ik dat voor elkaar heb gekregen? Keihard werken. Naast het maken van mooie doeken moet je er voor zorgen dat mensen je werk ook tegen kunnen komen. Ik ben allereerst naar een aantal kunstuitlenen gegaan. Dat heeft goed gewerkt. Zowel wat uitlenen als wat verkopen betreft. En verder maak ik al heel lang deel uit van een groepje kunstenaars, dat door bedrijven wordt ingeschakeld als er tijdelijk ergens in de stad een pand leegstaat. Zo zitten we op dit ogenblik met een man of vijf in een winkelpand in de Ferdinand Bolstraat. Daar is nog geen nieuwe huurder voor gevonden. We hangen dan allemaal een paar van onze werken op en we zorgen er voor dat er altijd iemand aanwezig is. Een soort kunst-kraakwacht zou je het kunnen noemen. In zo’n winkel stappen mensen gemakkelijk naar binnen. Het is leuk en het werkt. En ik heb drie vaste galerieën. Ik ben altijd bezig met schilderen. Tot voor kort zeven dagen in de week. Nu neem ik de weekends vrij. Ik schilder vooral landschappen en stadsgezichten.Maar ik ben ook bezig met het voorbereiden van een tentoonstelling waar alleen Italiaanse kerkinterieurs komen te hangen. Die heb ik vorig jaar in Venetië gemaakt. Hoe ik werk? Ik fotografeer en maak daarna schetsjes. Op een gegeven moment weet ik precies hoe ik het wil schilderen. Dan zitten vormen en kleuren vast in mijn hoofd. Van de foto’s zie je weinig terug, daar staat altijd veel te veel op. Ik werk op linnen en gebruik alleen olieverf. Acryl heb ik geprobeerd, maar dan krijg ik nèt niet wat ik wil. De structuur van olieverf ligt me goed, het is vettig en smeert lekker uit. Ik heb vroeger wel grafiek gemaakt. etsen en linosneden. Maar het is me allemaal te bewerkelijk. Schilderen is lekker direct. Sinds anderhalf jaar heb ik een atelier in de Plantagebuurt. Ik houd van deze buurt. Veel mooie huizen, de Hortus, Artis, de Hermitage en niet te vergeten de Dappermarkt. De Soop ken ik door mijn buurman, Bob van Amelrooij. Ik vind het heel leuk om mijn werk aan de Soop-bezoekers te laten zien en kijk uit naar 3 mei.”

Interview Janny Lok

MAGISCHE MOMENTEN

 

ELSBETH NIELAND

exposeert in de Gelaghkamer van de SOOP

van donderdag 16 maart tot en met dinsdag 2 mei 2006.

 

 

 

"De terroristische aanslag op de Twin Towers heeft destijds een enorme indruk op me gemaakt. Ik moest leren accepteren dat er mensen bestaan die bewust zoiets lelijks, zoiets verschrikkelijks organiseren en uitvoeren. Mijn leven veranderde er door; kreeg iets vluchtigs. Je kunt dus dierbare mensen en dingen, ook in onze ‘beschaafde’ Westelijke wereld, in één klap kwijtraken. Niet door een natuurramp, maar heel bewust door mensenhanden. Stel je even voor: in één klap zijn we hier in Amsterdam dat prachtige Concertgebouw kwijt. En al die met de hand gebouwde houten instrumenten, waar zulke schitterende muziek mee wordt gemaakt. Alles wat ik om me heen zag, kreeg vanaf dat moment een nieuw licht, dat zich vertaalde in een behoefte dingen vast te leggen en er van te genieten zolang het nog kan. Ik begon te schilderen. Alle schilderijen die ik daarna heb gemaakt vertegenwoordigen een speciaal moment in mijn leven. Daarom heb ik mijn tentoonstelling bij de Soop ‘magische momenten’ genoemd. Een voorbeeld? Ik was vorig jaar met man, kinderen en hond in Frankrijk. Het was 38 graden, we stikten van de hitte. We kwamen bij een prachtig kerkje. Je voelde de koelte van die kerk, je rook het bijna. Precies op het ogenblik dat we naar binnen gingen, begon het orgel te spelen: een magisch moment. Dat heb ik later in een schilderij vastgelegd. Ik heb overigens mijn hele leven getekend. Je zou mijn schriften uit de schooltijd eens moeten zien. Vol met tekeningen naast de sommen en de teksten. Ik heb ze allemaal bewaard. Na de middelbare school heb ik toch niet gekozen voor een kunstopleiding, maar voor een universitaire studie (Spaanse taal en letterkunde). Omdat ik de maatschappij niet alleen maar wilde uitbeelden, maar er juist onderdeel van wilde zijn. Kunstenaars hadden voor mijn gevoel een heel geïsoleerd bestaan en ik wilde midden tussen de mensen leven en werken. Maar ook tijdens mijn studie heb ik altijd getekend. Het broeide gewoon in mijn vingers. Ik ben dus autodidact, maar heb wel een aantal cursussen gevolgd. Ik werk het liefst met acrylverf. Het droogt als het ware onder je handen, heerlijk vind ik dat. Ik ben dol op kleur en vooral op het mengen er van. Het levert altijd weer verrassingen op. Vorig jaar was ik op zondag vaak te vinden bij Amstelrust, dat prachtige gekraakte landgoed aan de Amstel. De eerste keer dat ik er was, heb ik de krakers gevraagd of ik mijn schilderijen op de kale witte muren mocht hangen. Ze vonden het een uitstekend idee en hebben zelfs rails voor me gemonteerd. Toen ik de zondag daarop met al mijn spullen kwam was het prachtig weer. Het leek net een sprookje: mijn  schilderijen in zo’n bijzonder huis. Maar het sprookje duurde niet lang. Enkele maanden later vond er een - keurige, vreedzame - ontruiming plaats. Door mijn expositie in Amstelrust heb ik de Soop leren kennen. Op een van de zondagen dat ik daar was, sprak een mevrouw mij aan, ze vertelde over de Soop en vroeg of ik daar ook niet een keertje zou willen exposeren. En nu is het dan zover. Het is mijn eerste officiële expositie en dat is voor mij ook een beetje magie."

 Interview: Janny N. Lok

KUNST & CULTUUR IN DE SOOP

Kunstenaar Rob Brandes

exposeerde in de Gelaghkamer van de SOOP:

“Herinneringen aan de Amstel”, etsen en aquarellen.

 

 

Rob Brandes over zijn werk:

"De Amstel heeft mij altijd aangesproken. Mijn kennismaking dateert van lang geleden. Toen ik vijf jaar was, voeren we met een sleepboot over de Amstel, op weg naar een huis dat mijn vader daar had gehuurd. Die tocht staat diep gegrift in mijn herinnering, het was - kun je achteraf vaststellen  - liefde op het eerste gezicht  tussen de Amstel en mij.  Het is vooral het water dat me boeit, maar ook de bruggen, de huizen aan de overkant en andere sporen van mensenhanden. Mensen zelf zul je overigens weinig aantreffen in mijn werk. Op een gegeven moment kreeg ik een kamertje op zolder. Mijn bureautje stond voor het raam en ik keek altijd uit over de Amstel. En maar tekenen, almaar tekenen. Hoewel ik min of meer voorbestemd was om architect te worden, werd het de kunstnijverheidsschool aan de Gabriël Metsustraat (nu Rietveldacademie, JNL). Ik was niet zo’n studiehoofd en zag erg op tegen zo’n lange en lastige opleiding. Ben meer een doe-mens: technieken leren en uitproberen, vanalles te weten komen over verf en experimenteren met kleuren. Ik heb die opleiding met veel plezier gevolgd. Aanvankelijk maakte ik abstracten, maar later keerde ik terug naar ‘mijn ‘ Amstel.  Behalve aquarelleren heb ik me toegelegd op etsen met droge naald op kunststof. Deze techniek heeft een groot voordeel boven de traditionele manier van etsen. Ik kon slecht tegen de chemikaliën die je daarbij gebruikt; dat hangen boven die zure lucht zonder goede afzuigapparatuur vond ik heel onaangenaam. Het is volgens mij ook heel slecht voor een mens. Door een vriend, die glazenier en graficus is, kwam ik er achter dat je ook mooie etsen kunt maken met platen van kunststof. Een ontdekking die mij heel veel plezier heeft gebracht. Je kunt er slechts enkele goede afdrukken mee maken, maar persoonlijk vind ik dat geen punt. Aan olieverf heb ik me nooit gewaagd. Om je de waarheid te zeggen: ik heb niks met doek, geef mij maar papier. In alle soorten en maten, héérlijk. Je hebt speciaal papier nodig voor het maken van etsen met droge naald en het is steeds weer spannend om te zien hoe het uit de pers rolt. Ik houd van dat werk. En ik wil het resultaat graag aan de bezoekers van de SOOP laten zien"

Janny N. Lok

2005

 

"MUZIKANTEN UIT MONGOLIË.”


Vanaf donderdag 10 november 2005
exposeert JOS DIJKMAN
in de Gelaghkamer van de SOOP.
De feestelijke - en muzikale - opening vindt plaats
op donderdag 10 november om 16.30 uur.
“Ik wil de bezoekers van de SOOP graag kennis laten maken met ‘mijn’ muzikanten uit Mongolië met hun karakteristieke boventoonzang, spelend op paarden-viool of langhals-luit. Misschien worden ze door deze of gene wel herkend, want ze hebben veel gemusiceerd onder de poort van het Rijksmuseum. Tót de verbouwing. Ze gedragen zich als trekvogels; soms gaan ze terug naar Mongolië, soms trekken ze verder door Europa. Ik heb hen leren kennen in 1998. Op de Dam. Ik was gefascineerd en haalde mijn kleine schetsboekje en grafiet-stift - heb ik altijd bij me - te voorschijn. Ik teken nooit stiekem, dus ik vroeg beleefd of ik hen mocht tekenen. Ze vonden het prima. Die middag heb ik al heel wat schetsjes gemaakt en vanaf dat moment ben ik hen gaan volgen. Kocht een kaartje wanneer ze optraden in het Tropenmuseum en zocht hen op als ze musiceerden onder het Rijksmuseum. Daar hebben ze jaren lang gespeeld van half juni tot eind december. We leerden elkaar kennen, soms belden ze op om te laten weten dat ze gearriveerd waren. Ik maakte houtskoolschetsen terwijl ze aan het musiceren waren. Ze vonden het leuk om het resultaat te zien, waren één en al aandacht. De schilderijen kennen ze alleen van fotos. Ik merkte dat ik ging reageren op het soort muziek dat ze maakten. Stoere muziek vertaalde zich in stevige lijnen en als de groep lyrische muziek maakte werden de lijnen automatisch zachter. In de loop der jaren heb ik heel veel voorstudies, kleine notities over kleuren en schetsen van de groep gemaakt. Terug in mijn atelier zet ik dan al die dingen om me heen. Dan weet ik weer precies wat ik allemaal gezien en beleefd heb. Dan ga ik kijken en bedenken hoe ik verder zal gaan. En ik zet Mongoolse muziek op ter inspiratie. Beeldende kunst en muziek liggen zo dicht bij elkaar. Het gaat in beide gevallen om lijnen, ritme, kleur en gevoel. Maar: ‘mijn’ muzikanten zijn er niet meer. Hun plek is hen afgenomen. Gelukkig werk ik graag aan allerlei verschillende thema’s. Landschappen waar je de aanwezigheid van mensen kunt zien door sporen van gemaaid gras of richels in geploegd land. En ik heb bijvoorbeeld ook twee jaar lang de afbraak en herbouw van de Amstelbrug gevolgd. Ik ben dan op de bouw aanwezig. Heb daar wel met 12 graden onder nul staan tekenen.
Ik heb de SOOP enkele jaren geleden leren kennen toen Ies Jacobs bij jullie exposeerde. Ik vond het een warme ambiance en toen ik gevraagd werd, dacht ik meteen: leuk, de SOOP, daar was het toen zo gezellig. Ik kom dus graag naar jullie toe met ‘mijn’ boventoonzangers uit Mongolië, in houtskool, gekleurd krijt, aquarel en olieverf.”
Interview: Janny N. Lok
 

INTERVIEW MET JET VIOLIER

Van dinsdag 20 september
tot en met woensdag 9 november
exposeert JET VIOLIER haar “beestenboel”
in de Gelaghkamer van de SOOP.
De feestelijke opening vindt plaats op
dinsdag 20 september om 16.30 uur.

 



“ Op de Akademie heb ik jarenlang model getekend en - geschilderd. Maar ik tekende in die tijd ook al heel graag beesten. Op een gegeven moment schilderde ik mijn mens-figuren vaak met een dierenmasker op. Later verdwenen de mensen helemaal. Het is geen bewuste keuze geweest, het gebeurde gewoon. Dieren boeien me enorm, er is zoveel aan te zien. Ik ben ook altijd nieuwsgierig naar dieren, wil er alles over weten. Dieren zijn wat abstracter dan mensen; je kunt er een beetje mee schuiven. Mijn werk is overigens wel figuratief en ik wil ook dat het anatomisch klopt. Mijn beesten moeten bijvoorbeeld absoluut kunnen kijken en eten. Laatst moest ik een leeuw schilderen. Toen ben ik naar Artis gegaan om te kijken hoe de tenen van een leeuw er ook al weer precies uitzien. Maar als ik een uil teken bestaat zijn kop soms alleen maar uit een driehoekje met alles er op en er aan. De vrijheid om zo te kunnen werken voel ik meer bij dieren dan bij mensen. Ik krijg ook meer portret-opdrachten voor paarden, katten en honden dan voor mensen. Ik heb net in opdracht een portret van twee katten gemaakt. Het moest een statieportret worden; in zo’n geval ga ik heel nauwkeurig te werk. Ik zag dat bij een van de beide katten het ene oog iets blauwer was dan het andere. Daar houd ik dan rekening mee. Kort daarvoor portretteerde ik een hond voor een cliënt die juist wilde dat ik de opdracht vrij zou interpreteren. Ik wist al heel jong dat ik later wilde tekenen en schilderen. School vond ik vreselijk, maar op de Rijksakademie (voor Beeldende Kunsten) vond ik het fantastisch. Het was een klassieke, bijna Spartaanse opleiding; tekenen en later schilderen van negen uur ’s ochtends tot negen uur ’s avonds. Ik heb er, vooral in de vooropleiding bij Norbert Olthuis, ontzettend veel geleerd: heel goed kijken, beslissingen nemen en eigenwijs zijn. Ik geef nu zelf les en probeer diezelfde dingen op anderen over te brengen. Verder verzorg ik illustraties, bijvoorbeeld voor ‘ Kids Gids’, een gids met alles wat er zoal te doen is, voor kinderen tot 12 jaar. Ik vind het leuk om mijn beesten te laten zien aan de bezoekers van de SOOP. Ik voel me erg verbonden met deze buurt en woon er dichtbij. Bovendien ben ik geboren in de Plantage Kerklaan, tegenover Artis. Bij mijn eerste ademtocht hoorde ik bij wijze van spreken de leeuwen brullen!”

Interview: Janny N. Lok
 

 

INTERVIEW MET KORNELIS (KEES) LEEUWERINK,

 

Mijn tentoonstelling bij jullie in de SOOP heb ik “ Verf - Vorm - Vertaald, schilderijen en poëzie” genoemd. Dat vergt waarschijnlijk enige uitleg. Ik laat jullie schilderijen zien waarbij de verf op zich belangrijk is. Mooie verfstreken fascineren mij. De verf die ik voor de schilderijen van deze expositie heb gebruikt, heet alkyd. Het is een verfsoort, die gedeeltelijk op basis van kunststof wordt gemaakt. Het ruikt olieverf-achtig, wat ik prettig vind want ik houd erg van die geur. Alkyd droogt heel snel, een groot voordeel als je zoals ik graag buiten werkt. En verder strijkt het heel lekker uit. Op sommige schilderijen zie je alleen maar verfstreken, terwijl ze landschappen suggereren. De verf heeft dus direct  te maken met de vorm. En dan kom ik bij het woord vertaald. Eigenlijk ben ik meer een dichter/schrijver dan een schilder. Al vanaf zo ongeveer mijn vijftiende ben ik bezig met schrijven. Ik schrijf de dingen waar ik over nadenk, op. Ik noem die notities liever niet dagboeken, maar ‘gedachtenboeken’. Mijn hele werkzame leven heb ik dat schrijven en dichten volgehouden, hoe de omstandigheden verder ook waren. Pas sinds de jaren negentig ben ik gaan schilderen. Heel intensief. In die tijd ontstond bij mij de behoefte als een soort vanzelfsprekendheid om beeld en tekst te combineren. Het woord vertaald slaat op het feit dat ik schilderijen vaak voorzie van een titelgedichtje. De gedichten vertellen iets over het schilderij. Ik breng ze aan op de lijsten van de schilderijen op een naar mijn mening aardige manier. Ik schep met de gedichten een verheldering van het beeld. Niet alle schilderijen zijn geschikt om er een gedicht aan toe te voegen. En de kijker moet natuurlijk ook de mogelijkheid krijgen een eigen interpretatie  aan het werk te geven. Met mijn werk wil ik graag op de kijker overbrengen dat de uiterlijke wereld (in dit geval dus mijn beelden en woorden) spiegels zijn van onze eigen innerlijke wereld. Ik vind het plezierig om bij de SOOP te exposeren. Ik was een paar maanden geleden bij de SOOP ter gelegenheid van de opening van Mieneke Karelsen’s tentoonstelling en ik voelde me daar prettig. Het was zeer geanimeerd en ik ontmoette veel aardige mensen. De expositieruimte is vrij klein en heeft daardoor een zekere intimiteit. Een vriend (filosoof) van mij opent de tentoonstelling op 6 juli. Hij gaat wat nader in op relevante achtergronden van mij en mijn werk.   Misschien lees ik bij die gelegenheid ook nog wel iets voor uit mijn gedichtenbundels.

Interview: Janny N. Lok

 

INTERVIEW MET PETER MOORREES
Tekeningen (pastel) van boeketten worden geëxposeerd in de Gelaghkamer van de SOOP van dinsdag 3 mei tot en met woensdag 6 juli 2005.

Thema van zijn expositie: “ZEG HET MET BOEKETTEN”
De feestelijke opening vindt plaats op dinsdag 3 mei om 16.30 uur.
De kunstenaar geeft bij die gelegenheid een korte toelichting op het geëxposeerde werk.

INTERVIEW:
“ De laatste tijd ben ik veel bezig met het tekenen van bloemen en boeketten. Het resultaat wil ik graag laten zien aan de bezoekers van de SOOP. Weet je wat zo aardig is aan het werken met bloemen? Ze zijn zo bereikbaar. Je kunt ze voor je neus neerzetten en ze zitten keurig stil. Ze hebben mooie kleuren en je kunt er alles van jezelf in stoppen, wat je maar wilt.
Ik werk met hard pastel, ook wel frans krijt genoemd. Het voordeel daarvan is dat je lijnen en arceringen in het werk kunt aanbrengen. Ik wil de verschillende kleuren namelijk graag kunnen blijven zien. Ik teken zoals je al begrijpt, niet uit mijn hoofd. Ik moet het object zien, maar geef er vervolgens wel mijn eigen interpretatie aan. De bloemen die ik vóór me zie en de bloemen die ik teken, verschillen in kleur,vorm en ritme. Ik merk dat ik steeds losser kom te staan van het origineel. Een boeiende ervaring. Ik ben ook geheel onbereikbaar als ik teken, er bestaat dan niets anders. De ruimte in de SOOP leent zich er goed voor om met één techniek en één thema een expositie samen te stellen. In het verre verleden heb ik een kunstopleiding genoten aan wat nu de Rietveldacademie heet. Bepaalde eigenschappen die ik van nature al in zekere mate bezat, zijn daar tot bloei gekomen: het goed kunnen kijken, het gevoel voor kleuren en voor kwaliteit. Deze eigenschappen kwamen me uitstekend van pas in mijn werkzame leven. Ik kwam terecht bij “Weverij de Ploeg” in Noordbrabant en heb daar gewerkt van 1959 tot 1991. Een ideeël bedrijf, coöperatief georganiseerd, met als doelstelling stoffen te maken die enerzijds aan de allerhoogste kwaliteitseisen moesten voldoen en vervolgens tegen een zo redelijk mogelijke prijs op de markt moesten worden gebracht. Iedereen was gelijk en verdiende evenveel; als je getrouwd was kreeg je iets meer uit de pot en als je kinderen had nog iets meer. In het katholieke Brabant werden we “de Bolsjewieken” genoemd. Het had ook inderdaad iets (salon)-communistisch. Ik heb daar diverse functies bekleed, waarvan ruim twintig jaar het coördinatorschap van de textielcollectie. Dan moet je denken aan het maken van kleurreeksen, het verzinnen van thema’s en dat soort zaken. Al die jaren heb ik geen tijd en aandacht gehad voor creatief bezig zijn. Met pensioen en terug in Amsterdam haal ik de schade dubbel en dwars in. Ik ‘klei’ elke woensdagmiddag bij mijn jongste dochter, die een kunstopleiding keramiek heeft gedaan en op maandagmiddag ga ik vaak naar de Zondagsschilders. Tekenen doe ik thuis, in volslagen concentratie. Mijn tekeningen exposeren is een nieuwe stap in mijn huidige bestaan. Ik kijk er zeer naar uit.”

Interview: Janny N. Lok, april 2005.

 

 

MIENEKE KARELSEN

beeldend kunstenaar.
Abstracte en figuratieve schilderijen, portretten in opdracht.
Mieneke Karelsen: een ‘zelfportret’.

“ Mijn hart ligt bij de kwast”

“Toen ik klein was woonde er een tante bij ons in huis die heldervoelend was. Op een keer zei ze tegen mij: ’jij mag een wens doen, maar je mag ‘m niet uitspreken’. Ik wenste dat ik kunstschilder of tekenaar zou worden. Mijn tante studeerde lang in haar kaarten en meldde uiteindelijk dat mijn wens uit zou komen, maar dat de weg lang zou zijn. Letterlijk zei ze: ‘pas na veel tranen zul je je doel bereiken’. Nu ik zo met jou zit te praten schiet dit incident in mijn gedachten en denk ik: ‘ze heeft wel gelijk gehad’. Mijn grootste hobby als kind was tekenen en bijna als een automatisme ging ik na de middelbare school naar de Rietveld Academie. Na het eerste jaar moesten we een keuze maken uit diverse richtingen. Ik wilde absoluut de grafische richting uit, want ik meende op dat ogenblik zeker te weten dat mijn toekomst lag in het illustreren van boeken. Helaas: ik werd uitgeloot. Ik mocht alle richtingen kiezen, maar niet de grafische. Ik besloot te stoppen met de Rietveld en iets heel anders te gaan doen. Mijn keuze viel op een opleiding tot ergotherapeute. Gehandicapte mensen leren wat ze wél kunnen en hen daarin trainen leek me een boeiend vak. Na de opleiding, die ruim vier jaar duurde, heb ik met veel plezier in verschillende revalidatiecentra gewerkt. Inmiddels was ik getrouwd en werd zwanger. Met uiteindelijk twee kleine kinderen heb ik mijn werk als ergotherapeute ingeruild voor potten bakken. Knoeien met klei vonden de kinderen fantastisch. Ik legde me toe op het maken van gebruiksaardewerk. Ging er mee demonstreren en verkopen op ‘Oude Ambacht - markten’. En ik leverde aan cadeau-winkels. Maar mijn hart ligt absoluut bij de kwast en toen de kinderen groter waren maakten de potten weer plaats voor schilderijen. Die presenteerde ik aanvankelijk alleen op kunstmarkten, later ook in kantoren en restaurants en tenslotte in galerieën. Sinds 1976 werk ik, al dan niet in opdracht, in veel verschillende technieken en materialen. Mijn vrije werk waar ik regelmatig mee exposeer, vertelt over mijn leefomgeving en de persoonlijke gebeurtenissen uit mijn leven. Onder de titel ‘Gedichten in verf ’ laat ik van dat werk tijdens mijn tentoonstelling bij de SOOP enkele voorbeelden zien. Daarnaast ben ik veel bezig met het maken van portretten; dat heeft me mijn hele leven al gefascineerd. In 1998 maakte ik een reis door Ierland. De ruïnes en de kale en tegelijkertijd zo troostende eenzaamheid van de Burn zijn belangrijke inspiratiebronnen voor mij geworden. Sinds die tijd komen er veel poorten en ingangen voor op mijn schilderijen. En ze zweven altijd een beetje, die poorten van mij. Om aan te geven dat je niet altijd over een drempel hoeft te gaan, omdat je meent dat het aan de andere kant beter en mooier is. Want waar je bent, daar is het. Ook hiervan wil ik de bezoekers van de SOOP graag iets laten zien.”

Interview: Janny N. Lok
 

2005


Mieneke Karelsen exposeert in de Gelaghkamer van de SOOP
van woensdag 9 februari tot en met dinsdag 22 maart 2005.
De opening van de tentoonstelling vindt plaats
op woensdag 9 februari om16.30 uur. De toegang is gratis
.

 

IRENE HERTEL

“Ik ben geboren in Hamburg, in 1940. Ik werd Irene genoemd, zoals zoveel meisjes in die tijd. De gewone mensen in Duitsland hadden namelijk maar één wens: vrede. Het was een slechte tijd om in zo’n grote stad te wonen. Om wat veiliger te zijn verhuisde ons gezin naar een piepklein dorpje in Noord-Duitsland. Daar is in 1942 mijn jongste zusje geboren. Ik ben de middelste van drie zussen. Mijn vader zagen we zelden. Hij was architect en bouwde barakken voor de duitse soldaten, die in Frankrijk gelegerd waren. In 1944 kostte hem dat zijn leven. Ik weet niet eens waar zijn graf is. Als kind voelde ik me daarna eenzaam en triest. Dat kwam vooral omdat mijn moeder zo ongelukkig was. Ik vond haar zielig en had altijd het idee dat ik haar een beetje blij moest maken. Dat was een zware druk op mijn kleine schouders. We waren arm, maar dat gold voor heel veel gezinnen, want heel veel vaders kwamen niet terug. Het enige dat ik leuk vond in mijn jeugd was knutselen, tekenen en schilderen. Op de lagere school verveelde ik me nogal en dan zat ik graag tekeningetjes te maken of gedichtjes te schrijven. Mijn moeder vond het geen goed idee dat ik een creatieve opleiding kreeg. Ze was bang dat ik daarmee geen boterham kon verdienen. Toen ik achttien jaar was gingen we terug naar Hamburg. Daar heb ik een opleiding voor kleuterleidster gevolgd. In dat vak kon ik mijn creativiteit goed gebruiken, dat was een aardige bijkomstigheid. Maar ik voelde me dood ongelukkig in die verminkte stad. Ik wilde daar weg en toen ik een advertentie las waarin kleuterleidsters werden gezocht voor Afrika, heb ik zonder aarzelen gesolliciteerd. Twee jaar heb ik geprobeerd Keniaanse meisjes op te leiden tot kleuterleidster. Een paar dorpjes van mij vandaan werkte een nederlandse jongen. Je begrijpt het al. We werden verliefd. Met deze jongeman ben ik teruggereisd. Naar Amsterdam. Ik werd minstens even verliefd, misschien nog wel erger, op Amsterdam. Daar was leven op straat, daar gebeurde van alles. In vergelijking met Hamburg was Amsterdam voor mij een paradijs. We trouwden, kregen twee dochters (in 1971 en 1973) en woonden in een prachtig huis in de Plantage-buurt, waar ik nu nog steeds woon. Het huwelijk liep stuk en we gingen scheiden. Voor mij de start van een nieuw leven. Ik werd gedwongen de nederlandse taal goed te leren en veel onafhankelijker te worden dan ik tot dat moment was. Ik heb eerst mijn VWO-diploma gehaald. Daarna ben ik tekenen en schilderen gaan studeren aan wat toen de Hogeschool van de Kunsten heette. Kleuterleidster kon ik in Amsterdam niet worden; het aanbod was groot en mijn (Duitse) diploma werd niet erkend. Ik genoot van mijn vrijheid. Alle restjes eenzaamheid en verdriet die nog in me zaten, verdwenen langzaam aan. We hadden het niet breed, maar we waren gelukkig. Amsterdam was heel tolerant in die tijd. Ik voelde me geaccepteerd. Ik mocht zijn wie ik was. Dat zou in Hamburg in mijn omstandigheden nooit hebben gekund. Ik overleefde ook nog een akelige ziekte en uiteindelijk werd ik op mijn vijftigste de trotse bezitter van het diploma tekenen en schilderen van de Hogeschool van de Kunsten. Ik ben thuis les gaan geven. Individueel en in groepjes. Niet alleen in tekenen en schilderen, maar ook in kunstgeschiedenis. En ik heb vrij veel tentoonstellingen. Doe mee met Open Ateliers in de Nieuwmarkt en de Plantage. Dit jaar heb ik de Plantage Open Ateliers mee georganiseerd. Hetzelfde geldt voor de “Doksalon”. En de Vrienden van de Plantage hebben recentelijk een zeefdruk van mij gekocht voor degene die de eerste prijs kreeg bij het ‘ Plantage Poëzie Festival’. Door mijn lidmaatschap van de kunstenaarsvereniging ‘de Onafhankelijken’ ontmoet ik veel colle ga’s. Dat is belangrijk voor mij, want schilderen is toch een eenzaam beroep. Ik houd van kleinschaligheid. Daarom vind ik het ook zo leuk mijn werk tentoon te stellen bij de SOOP. Ik ken de SOOP al veel langer, was jaren geleden jullie allereerste exposant. Toen de lerares tekenen van de SOOP door ziekte tijdelijk niet beschikbaar was, heb ik haar vervangen. Zoiets vind ik ook leuk om te doen. Natuurlijk is het prettig als mensen mijn werk willen kopen, maar ik ben ook blij als het kijken er naar emoties oproept. Laatst zei iemand tegen mij: ‘ik zag een schilderij van jou en ik moest glimlachen’. Met zo’n opmerking kan ik me intens tevreden voelen”.


Interview: Janny N. Lok, november 2004.

 

 
 

 

Klik op de naam voor het interview met:

 

Margarite Luitwieler

 

Josée Voormans

 

Alie Roest/Els Martelhoff

 

Bep Rudelsheim

 

Carla van Riet

 

Rik Eijlders

 

Maruth Kleerekoper

 

Nella Montfoort

 

 

Smitskovács

 

Ans van de Scheur

 

Sylvia van Berkel

Els Kramer

Rob Metz

Geertje Aukema

Eddy Varekamp

Peter de Leeuwe

Ronalda Boddé

Nils Wieland

Els Scholten

Evert van Barneveld

Rijk van den Hoek

Sonja Dwinger

Hans Gritter

Jeanne Wesselius

Josua de Jong

Elsbeth Nieland

Rob Brandes

Jos Dijkman

Jet Violier

Kees Leeuwerink

Peter Moorrees

Mieneke Karelsen

Irene Hertel