|
|





|
Kunstenaar JOOST VAN DER KROGT
exposeert in
de SOOP
van donderdag
1 december 2011 t/m woensdag 1 februari 2012
met als titel:
"GELEEND GROEN"

De feestelijke
opening van haar expositie vindt plaats
op donderdag 1
december 2011 om 16.30 uur
in de
Gelaghkamer van de SOOP
Mijn expositie heb ik "Geleend Groen"
gedoopt, omdat ik aan de SOOP voor de duur van de tentoonstelling, mijn
fascinatie voor begrippen als ‘buiten’ en ‘groen’ heb uitgeleend. Ik kom
van het platteland, echt nog met vóór en achter me weilanden en pas heel
in de verte lichtjes. Ik heb geprobeerd daar zoveel mogelijk van vast te
houden en woon ook nu nog met vrij veel buiten en groen om me heen.
Waar ik elke keer weer door getroffen word, is de weerspiegeling en
de gelaagdheid van het water in de sloten. Sloten zijn voor mij land,
water en lucht ineen. Een bron van inspiratie voor kleur, vorm, maar
vooral beweging. Sloten zijn in wezen een en al beweging. Je ziet van
alles drijven, rondzweven en naar de bodem zinken. Dat geheel boeit me
enorm. Ik schilder niet zomaar een dijkje of een wolkje, maar focus voor
‘mijn groen’ op beweging.
Ik zoek mijn onderwerpen dicht bij huis. Kijk om me heen, iets trekt
mijn aandacht en daar ga ik dan mee aan de slag. Soms zijn het
bijvoorbeeld de kippen in mijn eigen achtertuin. Kippen zijn ook een en
al bewegelijkheid, fascinerend. Ik werk graag in reeksen: hanen en
kippen in reeksen, boerenlandschappen en sloten in reeksen. Dat geeft me
op de een of andere manier houvast.
Een leven zonder tekenen kan ik mij niet voorstellen. Na de
middelbare school heb ik de Rietveld Akademie gedaan (richting vrije
grafiek), maar ik heb ook gestudeerd (pedagogiek). Na die beide
opleidingen heb ik met veel inzet en plezier in het onderwijs gewerkt.
Op parttime basis, zodat er tijd overbleef voor de kunst. Inmiddels ben
ik met pensioen en mag ik als ik wil de hele dag tekenen!
Ik werk met veel verschillende materialen, maar houtskool is mijn
grote favoriet. Je hand zit dichter bij het papier dan een kwast ooit
kan komen. Ik zit ook vaak met mijn vingers te werken. Dat is nóg
dichterbij. Lekker vegen, heel vertrouwd. Als ik verbannen wordt naar
een onbewoond eiland en ik mag maar één materiaalsoort meenemen, wordt
het houtskool. Vormen zijn voor mij heel belangrijk en die maak je met
zwart-wit. Ik zal kleur op dat eiland vreselijk missen, maar dat maak ik
dan zelf wel van de sappen van de bloemen, die op dat eiland vast en
zeker zullen bloeien.
Interview: Janny Lok
Amsterdam, november 2011
Kunstenaar IRENE
HERTEL
exposeert in de
SOOP
van donderdag 6
oktober t/m woensdag 30 november 2011.
Thema:
“LUCHT en WATER”.

De feestelijke opening
van haar expositie vond plaats op donderdag 6 oktober om 16.30 uur in de
Gelaghkamer.
“Zeefdrukken maken
is een beetje toveren”
“Alles
wat ik de bezoekers van de SOOP tijdens mijn expositie laat zien, heb ik
de afgelopen maanden gemaakt. Het gaat om zachte zeefdrukken met als
thema “lucht en water”. Het is compleet ander werk dan ik ooit heb
gemaakt. Eigenlijk houd ik juist veel van heldere, sterke, primaire
kleuren. Van felle olie - schilderijen op doek. Met het maken van dat
soort schilderijen ben ik voor de volle honderd procent de baas.
Er is niet iets verrassends voor mezelf als het werk af is. Als alles
goed is gegaan, is het resultaat precies wat ik voor ogen had.
Zeefdrukken maken daarentegen is een beetje toveren. Ook al doe je alles
nog zo perfect: je hebt geen idee hoe het er precies uit komt te zien.
Dát fascineert me. Ik laat me graag verrassen. Je hebt voor het maken
van zeefdrukken allebei je handen en in feite je hele lijf nodig. Voor
de chemische processen ga ik naar het Grafisch Atelier in de Jordaan. Ik
geniet van het smerige handwerk dat ik daar moet doen, van de grote
lichtbak, de hogedrukspuit, noem het maar op. Ik vind het allemaal
geweldig. Het is er verschrikkelijk lawaaiig, het stinkt er naar rotte
eieren en ik werk me met plezier helemaal in het zweet. Na zo’n dag op
het Grafisch Atelier ben ik helemaal kapot en uiterst tevreden. Ik
begrijp zelf nog steeds niet hoe het mogelijk is dat je op een zeef
schildert, dat schilderij vervolgens doordrukt en uiteindelijk op papier
laat verschijnen. Dat is toch een beetje toveren? Het is te vergelijken
met het ontwikkelen van foto’s in een donkere kamer. Dat vonden we
vroeger ook een wonder. Er zitten kleine verschillen in mijn afdrukken.
Hier en daar een ander vlekje, een andere oneffenheid. Daar heb je zelf
geen enkele invloed op en dat vind ik nou juist zo mooi aan zeefdrukken.
Ik ben niet meer alleen de baas!
De grootste creativiteit zit niet in het schilderen, maar in het
verzinnen van nieuwe dingen. Ik blijf nooit erg lang bij hetzelfde thema
hangen. Na de vogels, de hanen en de varkens zijn het nu deze vormen in
het landschap. Het water dat daar doorheen stroomt, met die prachtige
donkere randjes. En de hemel boven dat geheel. Dit laat ik voorlopig
even niet meer los. Ik heb behoefte aan een beetje leegte in mijn werk.
Het was altijd wel erg vol en kleurrijk. Ik hoop dat ik de bezoekers van
de SOOP een plezier doe met dit nieuwe thema”.
Amsterdam, oktober 2011,
Interview: Janny Lok
Buurtgenoot
ASTRID SWAAGER
exposeert in
de SOOP
van donderdag
12 mei t/m woensdag 22 juni
met als titel
TIJDLOOS.
De feestelijke opening van haar expositie vindt plaats
op donderdag 12 mei om 16.30 uur in de Gelaghkamer (en hopelijk de
tuin!) van de SOOP.

"
Mijn schilderijen ontstaan uit vlekken. Al werkend nemen de vlekken
vormen aan. Daar ga ik op door. Ik werk vrijwel altijd met olieverf. Je
kunt met olie heel goed kleuren mengen op het doek. Acryl droogt
daarvoor te snel. Olieverf voelt ook lekkerder aan. Elk schilderij dat
af is, geeft me op dat moment een gevoel van trots. Maar het komt ook
voor dat een bepaald werk me na een tijdje niet meer zo bevalt. Dan
schilder ik het helemaal over met witte of roomkleurige verf. En begin
opnieuw. De speciale structuur die is ontstaan door de verschillende
lagen verf over elkaar, werkt inspirerend. Kleuren en vormen komen heel
gemakkelijk in mijn hoofd. Het worden vaak mijn mooiste schilderijen.
Ik schilder nu zo’n jaar of tien. Het begon allemaal tijdens een
vakantie in Portugal, waar ik deelnam aan een schildercursus. Terug in
Amsterdam ben ik les gaan nemen aan de Vrije Schilderacademie "De
Leeuwenburg". Een opleiding van vier jaar. Ik vond het fantastisch.
Sindsdien schilder ik in Atelier "Dijkzicht", bij Johan Suttorp. Je kunt
daar vrij schilderen. Mocht je een beetje vast komen te zitten, dan
draagt Johan nieuwe mogelijkheden aan. Een ideale plek voor mij, die ik
niet graag meer zou willen missen in mijn leven.
Als ik schilder is het net alsof tijd niet bestaat. Het geeft me ook
een beter zicht op wie ik ben. Waar ik plezier aan beleef en wat ik wel
en niet kan. Ik houd van experimenteren, mezelf steeds weer verrassen.
En ik merk dat ik niet graag opgeef. Steeds maar doorwerken, want ooit
krijg je het gevoel: ‘nu is het goed’. Mijn ontwikkeling is zeker nog
niet bij het eindpunt aangeland.
Ik heb mijn hele leven behoefte gehad me creatief te uiten.
Bijvoorbeeld door mime - spel (mijn rol was clown!) of het maken van
(wassen) beelden. En nu is er dan het schilderen. Daar hoop ik nog jaren
een deel van mijn tijd en energie in te kunnen steken. "
April 2011
Interview: Janny Lok
FOTOGRAAF HANS de WIT
exposeert in
de SOOP
van
donderdag 23 juni t/m woensdag 10 augustus 2011
onder de
titel: "ONTWARRING & VERBINDING".
De feestelijke
opening van zijn expositie vindt plaats
op donderdag
23 juni om 16.30 uur in de Gelaghkamer
(en hopelijk
ook in de tuin) van de SOOP.

"Op mijn 12de verjaardag kreeg ik mijn eerste
fototoestel, een ‘boxje’ heette dat toen. Daarna ging al mijn zakgeld
naar het kopen van filmpjes. Eigenlijk kun je wel zeggen dat vanaf dat
moment camera en ik een onafscheidelijk duo vormen. Tot vandaag de dag.
Iemand die me goed kent zei een keer tegen me: ‘Hans, zonder camera ben
jij eigenlijk een heel verlegen mens en met camera ben je best een
brutale rakker’. Hij had gelijk, ik verstop me graag achter mijn camera.
Ik ben autodidact. Door te gaan werken als assistent bij bekende
fotografen heb ik het vak tot in de details geleerd. Het waren
uitstekende leermeesters. In de jaren zestig ben ik voor mezelf
begonnen. Langzaam maar zeker lukte dat. Ik begon in de
fotojournalistiek, o.a. voor Het Parool. Later kwamen er opdrachtgevers
uit de reclamewereld bij. Maar ik kreeg ook interessant werk van
uitgeverijen (boeken en tijdschriften) en ondernemingen, die in hun
jaarverslagen steeds meer foto’s van hun bedrijf en producten wilden
opnemen. Ik behoor tot de groep bevoorrechte mensen die kunnen zeggen
dat ze met hun hobby voldoende geld hebben kunnen verdienen.
Voor de expositie heb ik uit mijn privé collectie twee series foto’s
uitgekozen. Ik wil allereerst graag iets laten zien van mijn touwen,
soms nog in de knoop en soms al ontward. Iedereen komt in het leven
knopen tegen. De kunst is om de weg te vinden ze te ontwarren. Het zijn
foto’s waarvan ik denk dat mensen er wat langer naar willen kijken, dat
ze soms iemand kunnen raken, misschien zelfs herkenning oproepen.
Ik wil de bezoekers van de SOOP verder verrassen met foto’s die ik
recentelijk tijdens verre reizen heb gemaakt. Mijn zonen trouwden met
meisjes uit Indonesië, respectievelijk Thailand. Daardoor maakten mijn
vrouw en ik op een niet-toeristische manier kennis met voor ons volkomen
vreemde gebieden, bewoners en gewoontes. De keuze van mijn foto’s
illustreert de verbinding die tussen mensen uit verschillende culturen
ontstaat, als ze elkaar door toeval ontmoeten."
Amsterdam, mei 2011
Interview: Janny Lok
Beeldend kunstenaar en
wereldverkenner
ANITA MIZRAHI
exposeert in de SOOP
van 24 maart 2011 t/m 11 mei 2011
met als titel “Beeldreis”

“Woestijn is mijn grote liefde”
“De
hoofdmoot van mijn werk is gebaseerd op impressies en ideeën die ik
tijdens mijn reizen op doe. Reizen doe ik al mijn hele leven. Mijn
ouders waren dol op reizen, ik ben kennelijk erfelijk belast. Als kind
nam ik altijd al een tekenboekje mee als we weer op pad gingen en dat
doe ik nog steeds. Tegenwoordig gebruik ik soms een digitale camera om
bepaalde indrukken even vast te leggen, maar het tekenboekje heeft ook
nu nog mijn voorkeur. Ik schrijf er vaak ook iets bij.
Mijn expositie bij
de SOOP bestaat voor ongeveer de helft uit grafiek (etsen en litho’s).
Verder zijn er schilderijen (acryl en olie) en gemengde technieken
(foto’s, grafiek en collages) te zien.
Ik houd erg van
zwart-wit grafiek. Met soms een klein beetje rood voor wat extra
spanning. Maar kleur hoort ook zeker bij mijn leven. Ik reis door
gebieden waar heel veel kleur is. Bij grafiek - of het nu gaat om
litho’s, etsen, zeefdruk of lino’s - moet je vóór je begint nogal wat
handwerk verrichten. De zinkplaat moet geschuurd worden, de randen
gepolijst, enz. Tijdens dat proces krijg je contact met die plaat en zie
je jouw idee er als het ware al op staan. Voor mij een prettige manier
om te beginnen (ik heb nog wel eens last van startproblemen bij het zien
van een maagdelijk stuk wit papier of doek). Je kunt niet voorspellen
hoe het werk er precies uit komt te zien. Het maken van een eerste
proefdruk ervaar ik dan ook altijd weer als een magisch moment.
Reizen en
schilderen zijn onlosmakelijk verbonden in mijn leven. Mijn liefde ligt
vooral in de woestijn. Ik houd van die enorme ruimtes, de contrasten, de
kleuren, de luchten. Woestijn werkt hypnotiserend. Wat ik ook heb
ontdekt tijdens mijn reizen, is dat wij in het Westen zo weinig met ons
verleden bezig zijn. In veel culturen is het verleden heel belangrijk.
Door een combinatie van technieken waardoor meerdere lagen ontstaan,
probeer ik daar iets van te laten zien. Bijvoorbeeld door een foto van
een eeuwenoud beeld te combineren met grafische vormen uit het heden.
Ik ben geboren in
Amsterdam, woon er - als ik in het land ben - in het hart van de stad en
heb mijn algemene kunstopleiding genoten bij de Rietveld academie. Mijn
kennis van grafische technieken heb ik vervolmaakt in Brussel.
”
Interview: Janny
Lok, maart 2011.
Amateur-fotograaf MAURITS
WIJZENBEEK
exposeerde in de SOOP
van donderdag 3 februari 2011
t/m woensdag 23 maart 2011
onder de titel: “EEN HALVE EEUW
AMATEUR”

“Je zou willen dat de zon altijd en
overal laag stond”
“Als
amateur ga je fotograferen als je er zin in hebt. Er zit geen enkele
druk achter. Nog belangrijker misschien: je hoeft je niet te
specialiseren. Als beroepsfotograaf moet je keuzes maken.
Pasfoto’s, mooie meiden, persfotografie en ga zo maar door. Je moet naam
maken in een categorie en zo proberen een goede boterham te verdienen.
Het lijkt me ook nogal saai. Steeds maar weer met hetzelfde onderwerp
bezig zijn. Ik bezocht laatst een tentoonstelling in FOAM van een
bekende fotograaf. Ik vond zijn jeugdfoto’s prachtig, echt geweldig. De
man is later reizend persfotograaf geworden. De spanning die zijn
jeugdwerk bij mij opriep, werd minder en verdween uiteindelijk. Alles
was min of meer hetzelfde. Als amateur heb je alle vrijheid. En wat mij
zelf betreft: stel dat ik tóch beroepsfotograaf zou zijn geworden, dan
zou er wel heel weinig tijd en energie zijn overgebleven voor mijn
andere liefde (natuurkunde).
Op mijn
veertiende verjaardag ging een grote wens in vervulling: ik kreeg een
fototoestel, zo’n dingetje van bakeliet. Daar heb ik een paar jaar veel
plezier van gehad. Ik heb inmiddels al die oude foto’s gedigitaliseerd
en laat er tijdens mijn expositie een paar van zien.
Bij het
samenstellen van de foto’s voor mijn expositie heb ik overigens niet in
eerste instantie gelet op de tijd waarin een foto is gemaakt. Mijn
belangrijkste selectiecriterium is: een foto moet interessant zijn. Een
aparte kijk uitstralen. Dat bereik je eerder met zwart-wit fotografie
dan met kleur. Daarom laat ik op mijn expositie vooral zwart-wit foto’s
zien. Meer dan kleur zijn zwart-wit foto’s in staat om een bepaalde
visie over te brengen. Om reacties bij de kijker te veroorzaken als:
‘hé, zo heb ik het nog niet bekeken’.
De elektronen
flitser, die eind jaren vijftig op de markt kwam, heeft het mogelijk
gemaakt heel snel te reageren als het juiste moment - een gebaar, een
blik of een andere subtiliteit - zich voordoet. Die uitvinding is
bijzonder belangrijk geweest in de geschiedenis van de fotografie.
Ruim tien jaar
geleden deed digitaal fotograferen zijn entree. Een revolutie, maar
tegelijkertijd ook een mentaliteitsverandering. Digitale toestellen zijn
nog vrij traag. Ze moeten het licht meten en de juiste afstand
instellen. Tijdens dat proces denk je: ‘tjonge, jonge, schiet es wat op,
straks is het moment voorbij’. De neiging ontstaat om heel veel beeldjes
te schieten en er dan achteraf de beste uit te kiezen. De fabrikanten
werken er overigens hard aan de snelheid te verbeteren, dat merk je
duidelijk aan hun advertenties.
Fotograferen is
werken met licht. Een hoge zon is moeilijk. In Italië is het lastig om
fatsoenlijke foto’s te maken. IJsland is ideaal; je zou willen dat de
zon altijd en overal zo laag stond als daar.”
Interview: Janny Lok, januari
2011.
Schilder en dichter
VERA JONGEJAN
exposeerde in de SOOP
van donderdag 2 december 2010 t/m woensdag 2 februari 2011
met als titel “EEN
SOORT VAN GELUK”

“Jarenlang
was werken naar de natuur, zoals ik dat noem, het belangrijkste voor me.
Kijken, kijken en nog eens kijken en dan datgene wat ik zie een eigen
interpretatie geven. In dat kader moet je bijvoorbeeld mijn portretten
plaatsen. Ik heb eindeloos veel portretten – al dan niet in opdracht –
geschilderd. Ik vind mensen enorm boeiend. Kan het niet nalaten overal
schetsjes van mensen om me heen te maken.
Daarnaast maak ik
de laatste jaren steeds meer werk met een expressionistisch karakter. Ik
laat mijn fantasie dan volkomen de vrije loop. Begin gewoon, laat me
verrassen en ben als het ware toeschouwer van het ontstaansproces. Niet
helemaal natuurlijk, ik stuur wel hier en daar bij. Maar het voelt echt
als een ontstaan van iets buiten mij om.
Ik houd van beide
manieren van werken. Ze zijn volstrekt onvergelijkbaar. Wat de toekomst
brengt weet ik niet, maar het ziet er naar uit dat ik meer en meer de
fantasieweg op ga.
Tijdens mijn
expositie wil ik de buurtbewoners van beide richtingen een aantal werken
laten zien.
Ik heb mijn hele
leven al willen schilderen. Dat heeft volgens mij vooral te maken met
het feit dat ik van jongs af aan geboeid word door kleur. Op de Rijks
Akademie hebben ze op een gegeven moment geprobeerd mij de richting van
het beeldhouwen op te sturen, maar dat ging niet. Ik koos voor kleur.
Ik gebruik
verschillende materialen. Werken met olieverf vind ik heel lekker.
Vooral zonder al te veel verdunning. Een praktisch voordeel van olieverf
is ook dat het dekt. Je kunt er steeds overheen schilderen. Maar ik
gebruik ook veel gemengde technieken: de combinatie van aquarel en
pastel bijvoorbeeld en gouache.
Wat de gemengde
technieken betreft werk ik graag op vliesdun, handgeschept papier uit
Nepal, gemaakt van een inheemse heester. Vrienden nemen het voor me mee.
Je kunt hier wel Nepalees papier kopen, maar dat is dikker. Ik houd
juist van dat flinterdunne papier. Er zitten kleine stukjes tak en vezel
in en daardoor krijgt het werk een heel aparte uitstraling. Met zelf
gemaakte lijm (gekookte rijstebloem) plak ik het werk op voorgespannen
zuurvrij papier. Ja zeker: er komt heel wat bij kijken voor ik aan het
inlijsten kan beginnen, maar ik heb het er graag voor over (kijkt me
met stralende ogen aan), want het betekent elke keer weer een soort
van geluk”.
Interview: Janny
Lok, november 2010.
Buurtgenoot, beeldend en dichtend
kunstenaar
MARGERITE LUITWIELER
exposeert in de SOOP van donderdag 14
oktober t/m woensdag 1 december 2010 onder de titel
“BEELD & WOORD”

“Ik
wil graag dat de bezoekers van de SOOP geraakt worden door mijn werk.
Dat ze misschien soms zelfs een beetje schrikken. Maar daardoor blijven
kijken. Het zijn geen gemakkelijke plaatjes die ik maak. Ik beleef het
leven heel intens. Die gepassioneerdheid in alles wat ik doe, heb ik op
een gegeven ogenblik nauwelijks meer onder controle. Die moet dan naar
buiten. Dát zijn de momenten waarop ik ga schilderen en schrijven.
Schrijven doe
ik al vanaf mijn tiende jaar. Ik schrijf op straat, op een terras, in de
tram, overal, behalve keurig aan een bureau. Vertrouw mijn emoties en
gevoelens gemakkelijk toe aan een stukje papier. In dit verband heb ik
nog een nieuwtje voor je: ik ben dit jaar gedebuteerd bij uitgeverij
Nijgh & Van Ditmar met een bundel gedichten en tekeningen, onder de
titel: “Op hoge hakken de trap op rennend”. En misschien weet je dat in
2003 op de muur van het pand hoek Czaar Peterstraat/Tweede
Leeghwaterstraat mijn gedicht “Ik heb ze lief” geschilderd is.
Tekenen en
schilderen heb ik ook vrijwel mijn hele leven gedaan. Ik heb kennelijk
een kunstenaarsziel. Daar word je mee geboren en daar kun je dan ook
maar beter naar luisteren. Mijn opleiding begon bij de Academie voor
Beeldende Kunsten in Kampen en eindigde aan de Rijksakademie in
Amsterdam.
Gaandeweg heb ik
het aangedurfd mijn persoonlijke verhalen te vertellen in mijn werk. Ik
merkte dat mijn emoties universeel waren. Iedereen heeft in het leven te
maken met liefde, pijn, verdriet, verlangen, hartstocht. Het betekende
wel dat ik veel aangeleerde technieken weer af moest leren. Het heeft
zeker tien jaar geduurd voordat ik mijn ‘gemakkelijke succes
penseelstreken’ kwijt was.
Ik werk meestal
’s avonds of ’s nachts, gebruik veel verschillende materialen: bister,
inkt, aquarel, potlood, krijt, houtskool, rode wijn, koude koffie of
fijngewreven blaadjes tot groen pigment. Tijdens mijn tentoonstelling
laat ik van alles wel wat zien.
Bij MK 24 op de
Mauritskade geef ik les in modeltekenen en op het daarbij behorende
kinderatelier leer ik kinderen van 4 tot 10 jaar de beginselen van het
tekenen en schilderen. Heerlijk om te doen.
Ik houd er van
mensen uit te nodigen om bij mij thuis kennis te maken met mijn werk.
Maar ik vind het ook leuk om weer een keer bij de SOOP te exposeren. Het
is meer dan tien jaar geleden dat ik daar een tentoonstelling had. Ik
ben benieuwd naar de reacties op mijn huidige werk”.
Interview: Janny
Lok, oktober 2010
NIEUWTJES uit de hoek van de
CREATIEVE HANDVAARDIGHEDEN
RIJK VAN DEN HOEK, docent en
begeleider
BOETSEREN EN SPEKSTEEN BEWERKEN
“Mijn
nieuwtje heeft te maken met een bijzondere uitbreiding van onze
werkplekken. Behalve op de fraaie zolderetage van het SOOP – gebouw
en in de aantrekkelijke tuin, gingen we deze zomer ook aan de slag
in Noord – Frankrijk. In de week van 5 tot 12 juni bivakkeerden we
daar met z’n achten. Met veel animo werd er in een heerlijk ruime
tuin geraspt, gehakt en gevijld. Ieder zocht een eigen plekje; onder
een afdakje vanwege zon of regen, in het gras of onder een boom. Het
voelde als een vakantie, waarin je lekker alleen maar dingen doet
die je leuk vindt. Alle cursisten kijken terug op een geslaagde
week. De plek leent zich bij uitstek voor een weekje kunstzinnig
bezig zijn. Het huis is comfortabel en de winkels waar je
proviandeert, zijn niet ver weg. Met de auto kun je er vanuit
Amsterdam in vijf uur zijn. Op de OPEN DAG kunt u de
resultaten van onze Franse week bezichtigen. U bent natuurlijk ook
van harte welkom bij de club boetseerliefhebbers en speksteen
bewerkers. En………in de zomer van 2011 gaan we vast weer een weekje
naar die unieke Franse plek. Misschien ook iets voor u ?”
EVERT VAN BARNEVELD, docent en
begeleider
“SCHEUREN & PLAKKEN” (COLLAGES
MAKEN)
“Mijn
nieuws is dat we onlangs zijn gestart met een cursus, waarbij we
niet scheuren & plakken met kunstposters, maar met héél dun,
ongekleurd satijnpapier. Dit flinterdunne papier wassen we in – met
behulp van een sponsje en wat water – met allerlei kleurtjes. Het
ingewassen papier hangen we met knijpertjes aan een waslijn. Het
moet door en door droog worden. Dan begint het scheuren & plakken.
Doordat het papier zo dun is, kunnen de diverse gescheurde stukjes
over elkaar heen worden geplakt. Dat geeft een bijzondere
dieptewerking. Het eindproduct ziet er daardoor heel anders uit dan
wanneer je met kunstposters werkt. Door die dieptewerking, maar ook
door de kleuren. Die zijn feller, briljanter. De cursisten vinden
het heel spannend. Het feit dat ze eerst hun eigen papier moeten
maken, prikkelt de fantasie en versterkt de binding die men heeft
met het eigen werk. Op de OPEN DAG laat ik u graag
kennismaken met de beide cursussen, die ik in het nieuwe seizoen ga
geven: collages maken met kunstposters en met vooraf ingekleurd
satijnpapier.”
INGEBORG KURPERSHOEK, docent en
begeleider
TEKENEN EN SCHILDEREN
“In
de ruim tien jaar dat ik nu teken - en schildercursisten bij de SOOP
begeleid, is veel hetzelfde gebleven. Maar er veranderde iets heel
essentieels, toen de SOOP de beschikking kreeg over het gehele pand
aan de Nieuwe Kerkstraat. We verruilden onze knusse voorkamer op de
eerste etage voor de veel grotere en meer mogelijkheden biedende
zolderetage. Ondanks de voordelen van deze nieuwe ruimte, was het
voor ons wel even wennen. Die fase zijn we nu voorbij. We genieten
van de grotere ruimte en de fraaie lichtinval aan voor - en
achterkant. De cursisten zijn doordat ze meer armslag hebben,
automatisch groter gaan werken. Voorspelbaar, maar leuk om waar te
nemen. Van de club waarmee ik begon, is een vaste kern tot vandaag
de dag gebleven. Er zijn wel nieuwe mensen bijgekomen. Mijn nieuws
is dat ik naast de vaste donderdagmiddag (eens in de veertien dagen)
nu ook een groep begeleid op de vrijdagochtend. Mijn methode is
simpel en met twee woorden duidelijk te maken: plezier en aandacht.
Daar gaat het mij om. Iedereen die zich daarin kan vinden is van
harte welkom. Op de OPEN DAG laat ik u graag met trots het
werk van mijn cursisten zien en probeer ik uw vragen te
beantwoorden.”
RIK EIJLDERS, docent en
begeleider
PORTRETSCHILDEREN EN BEELDHOUWEN
“In
het nieuwe seizoen start ik met een cursus portretschilderen.
Op basis van foto’s. In veel opzichten is de opzet vergelijkbaar met
de cursus portrettekenen, die ik eerder gaf in de SOOP. Daar
waren de cursisten enthousiast over. Ik hoop ook nu weer een aantal
mensen een plezier te doen met deze nieuwe cursus. Op de OPEN
DAG vertel ik u er graag meer over en als het u aanspreekt
kunt u zich hiervoor opgeven. In het afgelopen jaar heb ik met een
cursusgroep beelden gemaakt van brons. Het thema was “de gevleugelde
mens”; dit werd door de cursisten heel verschillend benaderd. De één
liet zich inspireren door Icarus, de ander door Nike, enz. Ik ben
erg onder de indruk van de resultaten. Op een geraamte van
bronsdraad werden de beelden - ca 30 cm. hoog - gemaakt van
boetseerwas. Toen de wassen beelden klaar waren hebben we ‘buiten de
SOOP - deuren’ bij beeldend kunstenaar Leo van den Bos, gipsen
mallen gemaakt. Een professionele bronsgieter heeft de boetseerwas
er vervolgens uitgestookt en de ontstane holte volgegoten met brons.
Het afwerken van de beelden was een groot karwei, maar het lukte en
nu zijn de cursisten trotse bezitters van een door hen zelf gemaakt
bronzen beeld! In het nieuwe seizoen ga ik met die zelfde groep
cursisten snijden in groot formaat plantenoase. Daar kun je hele
leuke, ruimtelijke beelden mee maken. We gaan ze afwerken met papier
– maché en vervolgens in felle kleuren lakken. We staan te trappelen
om te beginnen. ”
Augustus
2010
Interviews:
Janny Lok
“ TANGO, EEN TUIN VAN ILLUSIE”
Interview met Marianne van Berlo
"Mijn
hoofdberoep is beeldend kunstenaar. Aanvankelijk tekende en schilderde
ik vooral dieren en landschappen. Later ben ik in de ban geraakt van de
tango. Dat virus liep ik op tijdens mijn eerste bezoek aan Buenos Aires,
nu zo’n twintig jaar geleden.
Tango is sindsdien
écht mijn passie; ik geef les in tango, ik dans tango en ik schilder
tangodansende mensen. Tijdens die eerste reis naar Buenos Aires begon ik
al tango te tekenen. Ik ben er na thuiskomst mee doorgegaan. Kleine
tekeningen werden grote tekeningen en grote tekeningen werden
schilderijen. Zo kwam van het een het ander. Tango dansende mensen
schilderen heeft zoveel dimensies. Het gaat om handen,
gezichtsuitdrukkingen, de vele manieren van bewegen.
In mijn
schilderijen komen behalve mensen ook vaak duiven voor. Duiven zijn
stadsdieren, Zowel in Buenos Aires als in Amsterdam stikt het er van.
Maar tangodansers zijn óók stadsdieren. Als een mannetjesduif een doffer
het hof wil maken, zet hij zijn borst op. Om je partner goed te kunnen
leiden, moet je als man ook een beetje je borst opzetten. Het was
verrassend om die overeenkomst vast te stellen. Veel mensen zien duiven
als schijtbeesten, maar als je hun leven in groepsverband goed
bestudeert, zie je hoeveel ze gemeen hebben met mensen. En daarom komen
ze regelmatig voor in mijn schilderijen.
Als we in de zomer
in Frankrijk met vakantie zijn, schilder ik graag Franse bergkoeien.
Prachtige beesten zijn het, met grote horens. Ze lopen van heuvel naar
heuvel en zetten hun poten op een hele typische, strakke manier neer.
Het zijn echte “tango - koeien”.
Het is voor het
eerst dat ik een expositie heb in de Plantagebuurt. Ik ben heel
enthousiast over deze buurt. Ken ‘m ook wel goed, want mijn man Arjan en
ik hebben een tangoschool aan de Plantage Muidergracht. Er hangt een
beetje een dorpssfeer in deze buurt. De mensen zijn ontspannen en
vriendelijk en van elk hoopje modder weten ze nog een piepklein tuintje
te maken.
Mijn expositie is
een mix van olieverf op doek, inkt - en krijttekeningen en oliepastels.
Oliepastels maak
je met behulp van olieverf in stickvorm. Je kunt er mee mengen op het
papier zelf, het tekent wat directer en niet onbelangrijk: het droogt
binnen 24 uur. Heerlijk materiaal. Het leukste van exposeren vind ik de
onverwachte reacties van bezoekers. Maar het feit dat ik mijn
buurtgenoten confronteer met mijn volstrekt uit de hand gelopen passie
voor tango vind ik ook een aantrekkelijke gedachte".
Interview:
Janny Lok
Interview met Josée Voormans
“Het
water komt me bijna in de mond als ik aan olieverf denk”
“Schilderen
is mijn allergrootste hobby. Ik schilder praktisch elke dag,
nu al zo’n veertig jaar. Het is overigens nooit bij me op
gekomen om van tekenen en schilderen mijn beroep te maken.
Ik ben geboren in Venlo, had een Oekraïense moeder die na
mijn middelbare schooltijd het besluit nam dat ik Russische
taal en letterkunde zou gaan studeren. En dat gebeurde: ik
deed wat ze zei. Toen nog wel! Tot mijn 21-ste studeerde ik
aan Russische universiteiten, daarna aan de UvA hier in
Amsterdam. In mijn vrije tijd kwam ik in een
kunstenaarskring terecht. Vanaf dat moment kreeg ik een
onontkoombaar verlangen om zelf te tekenen en schilderen.
Enkele decennia lang heb ik les gehad van schilder (en
familielid) Simon Kramer. Begonnen met houtskool, toen
gouache en later olieverf. Ik houd van werken met olie. Het
is kneedbaar, je kunt er alle kanten mee op: fijn en grof.
Het water komt me bijna in de mond als ik er aan denk,
heerlijk! Begin jaren negentig hebben we met een stel
medecursisten van Simon een clubje opgericht dat we
Collectief Blauw Amsterdam doopten. Met deze club hebben we
in de afgelopen jaren regelmatig geëxposeerd. Toen Simon er
mee ophield, heb ik mijn heil elders gezocht. Dat heb ik
twee jaar volgehouden. In plaats van één avond had ik nu
drie avonden in de week les. Ik heb een redelijk zware baan
buiten Amsterdam en het werd me op een gegeven moment te
veel.
Ik
neem nu af en toe nog les. Bij Simon heb ik geleerd
impressionistisch te werk te gaan. Hij nam bijvoorbeeld een
gedicht en zei: probeer daar een schilderij bij te maken.
Dat was leuk, uitdagend. Bij de Academie waar ik daarna naar
toe ging, was het focus: heel precies kijken naar
verhoudingen. Ik heb er veel geleerd, ook al hield ik het
niet vol. Mijn schilderijen zijn nu een mix van
impressionistisch en figuratief werk. Ik heb tegenwoordig de
neiging realistischer te schilderen, dichter bij het
onderwerp te blijven. Ik werk nu meer met acryl. Het is
dikker dan gouache, het droogt snel en geeft mooie, heldere
kleuren.
Tot
nu toe heb ik alleen deelgenomen aan groepsexposities. Daar
hangen hooguit vijf werken van de individuele schilders. Ik
vind het spannend dat er bij de SOOP drie keer zoveel
schilderijen van mij komen te hangen. Ben ook erg benieuwd
naar de reacties van de bezoekers”.
Interview met kunstenaars, tevens
SOOP-vrijwilligers
ALIE ROEST en ELS MARTELHOF
ter gelegenheid van hun expositie
“ALLERHANDE”
in de Gelaghkamer van de SOOP.
| ALIE ROEST: |
 |
“We
hebben onze expositie bewust “Allerhande” genoemd. Dit woord geeft
ons de ruimte om verschillende kanten van het werk dat we maken, te
laten zien. Mijn keuze is uiteindelijk gevallen op een mix van
aquarel, ets en een enkele tekening.
De nadruk ligt
op aquarel; dat heeft meer dan alle andere technieken mijn hart.
Aquarelleren is lastig, omdat je het eigenlijk meteen goed moet doen.
Dat is dé grote uitdaging. Ben je niet tevreden en ga je kleuren
“stapelen”, zoals dat genoemd wordt, dan is de kans groot dat het
leven uit het werk verdwijnt. Dat moet je dus zien te vermijden.
Etsen vind ik
overigens ook fascinerend. Die heb ik vooral toegevoegd, omdat je heel
aardig het effect van inkleuren kunt laten zien. Precies dezelfde ets
in zwart/wit en ingekleurd hebben wat sfeer betreft vrijwel niets meer
met elkaar gemeen. Heel verrassend.
Mijn werk is
totaal verschillend van dat van Els. Daarom is het leuk om juist samen
met haar te exposeren. Haar felle doeken vormen een interessant
contrast met mijn werk, dat vooral rust uitstraalt.
Ik werk als
vrijwilliger bij de SOOP. Bemoei me, samen met een paar
collega-vrijwilligers, met het organiseren van concerten. Ik vind het
leuk dat mensen die bij de SOOP komen nu een andere kant van mij leren
kennen”.
| ELS MARTELHOF: |
 |
“Mijn
bijdrage aan de expositie bestaat uit een aantal fantasieën. Ze
ontstaan door iets dat mijn aandacht trekt. Een afbeelding, een
gebouw, een bootje, het kan van alles zijn. Ik merk iets op en
vervolgens gaat mijn fantasie op de loop. Aan de hand van mijn
steevaste uitgangspunten: vorm, kleur en constructie.
Ik begin met
een schets op papier. Dat papier heb ik op maat gemaakt. Al mijn
fantasieën hebben dezelfde maat: 40 bij 90. Als de schets naar mijn
zin is ga ik schilderen. De overgang van schets naar kleur is een
lastig, maar cruciaal punt. De kleuren moeten heel goed op elkaar
worden afgestemd; niet vals tegenover elkaar komen te staan. Het
geheel moet aangenaam zijn om naar te kijken.
Nu begint de
volgende fase. Ik prepareer een dun soort linnen (daar heb ik een
speciaal adresje voor!) en plak het op een plank. Een moeilijk
onderdeel van het proces, want het moet heel strak gespannen worden.
Alles wat ik
“in klad” op papier heb geschilderd, neem ik nu over op doek. Het is
elke keer weer spannend of het allemaal lukt. Met vallen en opstaan
heb ik het onder de knie gekregen.
Het
werk is niet figuratief, maar als je goed kijkt kun je soms iets
terugvinden van het object dat de aanleiding tot het kunstwerk vormde.
Mijn felle
fantasieën vormen een groot contrast met het werk dat Alie maakt. Wij
denken beiden dat de combinatie een boeiende expositie oplevert. Ik
ben benieuwd hoe mijn werk het doet in een heel andere omgeving”.
Interviews:
Janny Lok
Interview met Bep Rudelsheim
|
 |
|
“TEGENDRAADS”
Onder deze titel
exposeerde Bep Rudelsheim
in de
gelaghkamer van de SOOP
van 3
december 2009 t/m 3 februari 2010.
“
Een eigen handschrift ontwikkelen is essentieel”
“Toen
mijn jongste kind een jaar of vier was, ontstond bij mij de
behoefte creatief bezig te zijn. Het begon met poppen maken,
daarna werden het wandkleden en weer later ging ik potten
bakken.
Het
was het allemaal nét niet. Dat gevoel verdween toen ik ging
schilderen. Aanvankelijk in het van Gogh Museum; daar werden
schildercursussen gegeven. Ik heb het nu over de jaren
zeventig. Later sloot ik me aan bij de zondagschilders. Daar
werk ik met veel plezier tot op de dag van vandaag onder de
bezielende leiding van Rob Raats.
Schilderen betekende voor mij heel lang aquarelleren. De
niet erg op de voorgrond tredende kleuren van de aquarel
passen goed bij mijn wat verlegen natuur. Sinds een jaar of
tien maak ik ook olieverven. Voor die overstap was voor mij
wel wat durf nodig, maar die had ik kennelijk weten op te
bouwen. Ik vind werken met olieverf heel prettig; merk ook
dat ik steeds wat brutaler word.
In
de loop der jaren heb ik een eigen handschrift
ontwikkeld.Dat ging vanzelf. Maar nu het er is, vind ik het
heel belangrijk en werk ik er hard aan. Op het tegendraadse
af!
Tot
nu toe heb ik alleen aan groepsexposities deelgenomen. De
expositie bij de SOOP wordt mijn eerste solo - optreden. De
bezoekers van de SOOP gaan een mix van aquarel en olieverf
zien. Ik vind het allemaal best spannend”
Interview: Janny Lok
i
|
|
KUNSTENAAR CARLA van RIET IN DE
SOOP
“MASKERADE”
Onder die titel exposeert Carla van
Riet
in de Gelaghkamer van de SOOP
van 1 oktober t/m 2 december 2009.
De SOOP is op werkdagen geopend van
11.00 tot 17.00 uur.
 |
|
“Mijn maskers
zijn ingetogen, ze mediteren graag een beetje”
“Ik
maak maskers van oud leer. Hoe ouder het leer, hoe liever ik
het heb. Op het Waterlooplein kun je goed terecht voor oud
leer. En ik krijg van vrienden en kennissen hun afgedankte
jassen en tassen. Ze vinden het plezieriger om die spullen
aan mij te geven dan ze in een vuilnisbak te gooien. Soms
herkennen ze in mijn kunst stukjes van hun oude jas of tas.
Leuk is dat.
Waarom ik met leer werk? Dat weet ik eigenlijk niet zo goed.
Ik heb de Academie voor Industriële Vormgeving gedaan.
Daarna ben ik gaan schilderen. Na een tijd werd schilderen
vervangen door wandkleden maken van oude lapjes. Dat moesten
vooral écht oude lapjes zijn.Op een gegeven moment gaf
iemand mij een oude motorjas.Vanaf dat moment was ik
verkocht. Dat oude leer is heerlijk om mee te werken. Je
kunt er van alles mee doen: vormen, plakken, met een stanley
mes bewerken, lijmen, stikken. Werken met leer lijkt een
beetje op beeldhouwen. Wat ik weg snijd, krijg ik nooit meer
terug. Net als weg hakken, wat je bij beeldhouwen doet.
Ik heb aanvankelijk van alles gemaakt van oud leer. Hele
grote stukken, abstracten in allerlei soorten en maten,
erotische werken. De afgelopen twintig jaar houd ik me
vooral bezig met maskers. Ik denk dat mijn voorliefde voor
maskers te maken heeft met mijn grafische opleiding. Maskers
hebben iets grafisch. Nee, mijn maskers hebben niets te
maken met voorouderverering. Ze hebben geen religieuze of
psychologische achtergrond. Ik werk intuïtief, weet nooit
wat het wordt. Hoewel ikzelf nogal vrolijk van aard ben,
hebben mijn maskers altijd iets ingetogens. Ze mediteren
graag een beetje. Mijn eerste maskers waren volstrekt
symmetrisch, later durfde ik a - symmetrische accenten aan
te brengen. Veel moeilijker om te maken. Maar het werk
wordt er spannender door. Ooit hoop ik het ultieme masker te
maken.
Interview:
Janny N. Lok
|
September 2009
De
nieuwste loot aan de stam van SOOP’s creatieve groepen heet
(ZELF)PORTRET TEKENEN. Hoe dat vorm wordt gegeven vertelt
RIK EIJLDERS, docent en inspirator.
“Jezelf blijven ontwikkelen tot je allerlaatste snik”
“Het
eindresultaat moet goed zijn, daar gaat het mij om. Het
gebruik van fotografie is dan een prima hulpmiddel. Dat is
overigens niets nieuws hoor. Ik zag laatst een film over een
bekende schilder. Je zag hoe hij foto’s maakte, deze
projecteerde, overtrok en in schilderde. Ik dacht: zie je
wel, eigentijdse beroemdheden doen het ook! En in de tijd
toen er nog geen fotografie bestond, maakten onze oude
meesters ook gebruik van hulpmiddelen. Bijvoorbeeld in de
vorm van rasters.
Hoe
ik precies te werk ga? Ik maak een foto van mijn cursisten
en vergroot ze tot A-3 formaat. Die foto geef ik aan hen. Ze
smeren de achterzijde in met grafiet. Daarmee is er een
soort ‘carbonpapier’ ontstaan. Dat drukken ze door op stevig
karton, linnen doek of wat iemand maar wil. Daarmee gaan ze
vervolgens aan de slag. Eén ding is nu zeker: het portret
kan niet meer mislukken. Nee, het wordt absoluut geen
eenheidsworst. Want ieder mens heeft een eigen handschrift.
Kiest andere kleuren, gebruikt andere materialen. Het worden
heel verschillende portretten, zoals je op de expositie ook
duidelijk kunt zien.
Ik
probeer cursisten een methode aan te reiken, die leidt tot
een resultaat waar ze trots op zijn. Thuis willen ophangen.
Het is leuk om te zien hoe ze in de loop van de cursus (tien
lessen) elkaar gaan stimuleren en hun bewondering uiten voor
het werk van de ander. Ik merk ook dat er verschil is tussen
les geven aan ouderen en mijn vroegere leerlingen,
adolescenten van gemiddeld 17 jaar. Bij de geestelijke
bagage van ouderen zit meer kennis van kunst, gevoel voor
kleur en idee van de diverse eigentijdse en vroegere
kunststromingen.
Mijn
plezier in les geven haal ik uit het stimuleren van
andermans creativiteit. En uit het bedenken van nieuwe
dingen. Ik wil bijvoorbeeld nu kijken naar de mogelijkheden
om een cursus boetseren in was van de grond te tillen. Het
thema heb ik al:’de gevleugelde mens’. Zelf wil ik bij de
SOOP ook cursussen gaan volgen. Denk dan aan spaans. Je moet
jezelf blijven ontwikkelen, tot je laatste snik.”
Interview: Janny N. Lok
KUNSTENAAR MARUTH
KLEEREKOPER IN DE SOOP
“VRIJ SPEL”
juni 2009
“Kennis is voor mij
een belemmering van het creatieve proces”

“Alles
begint met een niet te stuiten verlangen om te creëren. Er
is alleen dat witte blad papier. Daarop projecteer ik de
beelden in mijn hoofd. Ik teken zonder te weten waar ik
uitkom. Er ontstaat een vorm en uit die vorm ontstaat een
andere vorm. Het werk groeit. Het is een voortdurende
dialoog tussen mijn innerlijke beeldenwereld en datgene wat
er op het papier ontstaat.
Ik
laat de bezoekers van de SOOP onder andere een serie
zwart-wit werk zien. Het enige dat ik daar voor nodig heb is
papier, oost indische inkt en één simpele kwast. Dan begin
ik te tekenen. Er ontstaan vormen. Het wordt een spel tussen
het witte papier en de zwarte inkt. Ik ga net zo lang door
tot de spanning tussen wit en zwart goed is, tot het
contrast klopt.
Achtergrond van deze serie vormt mijn verbondenheid met de
natuur. Het zijn motieven uit de planten – en dierenwereld.
Het ontstaan en de groeiwijze van een plant boeit me. Hoe
een plant vanuit een zaadje zijn uiteindelijke vorm vindt.
Als ik daar in meega voel ik dat lijfelijk. Het is een
ritmisch en sensueel proces. Dieren roepen weer andere
gevoelens bij me op. Daar spreekt vooral de bewegelijkheid
tot mijn verbeelding. Ik heb vroeger veel aan mime en dans
gedaan. Dat heeft er zeker mee te maken. Het werk toont de
verwevenheid van plant en dier tot een organische eenheid.
Ik
werk ook graag met krijt en acryl. En voor mijn kleine
schilderijen prefereer ik een gemengde techniek van aquarel
+ krijt. De grote lijnen zet ik dan eerst neer met potlood.
Meestal gebruik ik ook bij deze technieken gewoon (niet
absorberend) tekenpapier. Maar als ik het spel tussen
kleuren en abstracte vormen wil weergeven, kies ik liever
voor acryl op hardboard.
Er
zijn verder nog enkele werken te zien met krachtige vulva en
fallische vruchtbaarheidsymbolen. Ze verbeelden voor mij het
zich steeds vernieuwende en zich vormende leven.
Ik
ben een pure autodidact. Ik heb gemerkt dat opleidingen mijn
creativiteit belemmeren. Vanuit weten kan ik niet creëren.
Ik heb tekenen geleerd door het te doen. Een kunstenaar die
ik erg bewonder is Lataster. Dat is een groot voorbeeld voor
mij. Hij is ook veel bezig met beweging en dat resulteert in
prachtig werk. Over mijn werk heb ik altijd het gevoel dat
het nog beter kan. Ik ben er nog niet helemaal, om het zo
maar eens te zeggen.”
Interview: Janny Lok
PERFORMER/KUNSTENAAR NELLA
MONTFOORT IN DE SOOP
“STOUTE SCHOENEN EN
ANDERE ONDEUGENDHEDEN”
april 2009
“Mijn
werk laat het onalledaagse theater van het leven zien”

“Dansen
loopt als een rode draad door mijn leven. Dat begon al op
mijn tiende jaar met klassiek ballet. In die tijd een soort
‘must’ voor kleine meisjes in Den Bosch. Later werd het
moderne dans, gevolgd door Afrikaans, jazz, mime en - weer
later - flamenco. Op het ogenblik dans ik tango. Geweldig,
alleen die muziek al.
Na
de middelbare school en een paar baantjes waarin ik me nogal
ongelukkig voelde, kwam ik uiteindelijk terecht op de
Koninklijke Academie voor Kunst en Vormgeving in Den Bosch.
Dat was een schot in de roos. Niet lang na mijn afstuderen
ben ik naar Amsterdam vertrokken. Ik heb daar nog
aanvullende begeleiding en schilderlessen genomen. In die
omgeving kon ik mezelf zijn.Het was me in Den Bosch heel
duidelijk geworden: ik pas in geen enkele kooi.
Fascinatie voor schoenen heb ik al sinds ik kan lopen.
Schoenen bepalen het beeld van de vrouw. Zeggen iets over
haar ijdelheid, over haar gevoel voor mode. Maken iemand
vrouwelijk, sexy. Ik ben op een gegeven moment mijn eigen
dansschoenen gaan schilderen. Eerst zoals ze er uitzagen.
Gaandeweg hebben mijn schoenen een persoonlijkheid
gekregen. Een eigen karakter. Ik schilder trotse schoenen,
erotische schoenen of compleet krankzinnige schoenen. En
laarzen. Strenge laarzen, met zachte veertjes langs de
schacht om de strengheid te compenseren. Die tegenstelling
streng versus zacht vind je terug in al mijn werk. Of zoals
ik het zelf graag uitdruk: ik schilder lieve heksen en
stoute elfen. Juist die tegenstelling maakt het werk
spannender.Waarom ik nooit een complete vrouw schilder? Het
benadrukken van een bepaald onderdeel, zoals voeten, benen
of een torso vind ik wat vorm betreft interessanter,
geheimzinniger.
Ik
schilder uitsluitend met olieverf. Op doek. Dat is het
lekkerste dat er bestaat, omdat de mogelijkheden vrijwel
onbegrensd zijn. Je kunt er als het ware mee toveren.Kleuren
mengen. Lagen over elkaar smeren en daardoor diepte
scheppen.Het materiaal is soepel, geeft een speciale glans
en ruikt zo lekker.
Ik
hoop dat de bezoekers van de SOOP iets uit hun eigen leven
herkennen in mijn werk. Iets speels, iets ondeugends.”
Interview: Janny N. Lok
KUNSTENAAR SMITSKOVÁCS IN DE SOOP
Op donderdag
5 februari 2009 om 16.30 uur
vindt in de Gelaghkamer
van de SOOP
de FEESTELIJKE OPENING
plaats
van SmitsKovács expositie
“VISUELE POËZIE EN
PORTRETTEN”.
U BENT VAN HARTE
UITGENODIGD.
“ Ik ben de leerling van
de meester in mijzelf”

Ik
teken iedere dag. Voorwaarden om te kunnen tekenen en
schilderen zijn voor mij helemaal alleen zijn, in mijn eigen
atelier, met mijn werk om me heen. Om in het juiste gevoel
te komen begin ik vaak met krassen. Krassen met allerlei
materialen. Door het krassen orden ik mijn gedachten en
verken ik de materialen. Met tekenen vertel ik mijn verhaal
en verbeeld ik mijn wereld tot lijn, vorm en vlak. Als ik
werk ga ik diep in mezelf. Hoe beter dat lukt hoe dichter ik
bij mijn verbeelding kom. Er ontstaat een explosie van
beelden: mijn visuele poëzie, de bron voor mijn
schilderijen. Het komt neer op keuzes maken, ieder moment
weer keuzes maken. Ik ben de leerling van de meester in
mijzelf.
Schilderen doe ik naar thema en ik maak portretten. Zowel
zelfportret als in opdracht. Mensen schilder ik van foto’s
die ik van hen maak als ik bij hen op bezoek ben. Voor
zelfportret kijk ik in de spiegel. In mijn portretten
verdicht ik de verwantschap van mijzelf tot de wereld. Het
is de verbeelding van een moment, een moment van ontmoeting.
In mijn thematisch werk laat ik me inspireren door foto’s,
afbeeldingen en situaties die me raken of vraagtekens bij me
oproepen.
Als
docent ben ik verbonden aan het Kunstencentrum in Purmerend.
Daar geef ik portret -/modeltekenen en vrij schilderen. Wat
ik vooral probeer is mensen houvast te geven in hoe ze
moeten kijken. En hoe ze dat vervolgens kunnen vertalen naar
het platte vlak. In de zomermaanden geef ik vergelijkbare
lessen in Zuid Frankrijk.
Bij
de kunstenaars die als kind al begonnen met tekenen hoor ik
niet. Mijn opleiding is drama. Ik had de scriptie voor mijn
eindexamen geïllustreerd met eigen tekeningen. Tijdens het
tekenen ontdekte ik dat ik via beeld mijn verhaal
duidelijker kon vertellen dan op welke andere manier dan
ook. Een gepassioneerd gevoel overviel me. Ik hoefde alleen
nog maar te luisteren naar wat ik zag. Toen wist ik zeker
dat ik voortaan wilde tekenen. Heb me meteen aangemeld bij
de Rietveld Academie. Mijn leven met tekenen en schilderen
was begonnen. De beeldende kunst had mijn hart veroverd.
Waar de naam Kovács vandaan komt? Ik heet Marian Smits. Je
moest eens weten hoeveel Marian Smitsen er in de
kunstwereld rondlopen. Om me te onderscheiden en
misverstanden te voorkomen, heb ik mijn voornaam weggelaten
en de achternaam van mijn Hongaarse moeder achter die van
mijn vader gezet”.
Interview: Janny Lok
Interviews
ANS
VAN DE SCHEUR
exposeert
in de
SOOP
Op
donderdag 20 november 2008 om 16.30 uur
vindt in de Gelaghkamer
van de SOOP
de FEESTELIJKE OPENING
plaats
van Ans’ expositie
“VER-VREEMD”
U BENT VAN HARTE
UITGENODIGD.

“Anders
zijn in de omgeving waarin je leeft”
“Mijn schilderijen vertellen een verhaal. Voor mijn
expositie in de SOOP heb ik werk uitgezocht dat te maken
heeft met vervreemdende situaties. De vormgeving en de
techniek kies ik bewust bij elk achterliggend verhaal. Ik
duik nogal diep in het onderwerp, wat er toe leidt dat ik in
de praktijk vaak werk met twee - of meerluiken. Ik geef je
een voorbeeld. De vrijlating van Bétancourt heeft me
geïnspireerd tot het maken van een tweeluik. Voor mijn
gevoel viel ze van de ene jungle in de andere. De eerste
helft laat de jungle zien waarin ze gevangen zat en de
tweede helft de ‘jungle stad’ Parijs met zijn hardheid,
grote hoeveelheid stenen en een pers die massaal over haar
heen valt. In het tweeluik is te zien hoe de stad oprukt
richting natuur. Het centrale thema van mijn expositie zou
je kunnen samenvatten als: het anders zijn in de omgeving
waarin je leeft. Zelf ben ik een derde generatie kind van
Friese landarbeiders, die destijds uit armoede hun
vertrouwde omgeving moesten verlaten om zich voor hun
broodwinning in Zuid Limburg te vestigen. Ik had als kind
moeite met het Katholieke Zuiden en heb me daar altijd
‘anders’ gevoeld. Dat gold voor Bétancourt in die jungle,
maar ook voor Afghaanse vluchtelingen, die na een
verschrikkelijke reis in Europa arriveren en zich staande
proberen te houden in een compleet andere cultuur. Een film
over dit onderwerp heeft diepe indruk op me gemaakt. Ik ben
nu bezig aan een vijfluik hierover. Ik gebruik acryl en
gemengde technieken. Dat laatste kan van alles zijn. Acryl
is een geschikt materiaal om als ondergrond voor andere
technieken te dienen. Inkt of potlood bijvoorbeeld. Maar ik
werk ook met kleurenfoto’s uit kranten en stukjes tekst. Ik
schilder nu zo’n twintig jaar. Ben begonnen met aquarelleren
tijdens een vakantie in de bergen die door de grote
hoeveelheid regen dreigde te mislukken. Een nichtje had me
een aquarelblok, een penseel en drie tubetjes verf
meegegeven, mocht een dergelijke ‘ramp’ zich voordoen. Tot
mijn verbazing bleek ik het leuk te vinden. Aquarelleren is
als spelen. Je probeert maar wat en als het lukt, lukt het.
Heerlijk ongecompliceerd om mee bezig te zijn. Na enkele
jaren bleek het toch een te waterige techniek voor mij te
zijn. Ik wilde groter, maar vooral krachtiger werken. Dat
kon met acryl, materiaal dat bij uitstek geschikt is om de
gelaagdheid die mijn werk kenmerkt, tot uitdrukking te
brengen. Ik verheug me op mijn expositie. De SOOP ken ik,
omdat ik al een paar jaar lid ben van de leesclub. Ik vind
het leuk om de bezoekers van de SOOP nu een andere kant van
mezelf te laten zien”.
Interview: Janny Lok
|
Op
donderdag 9 oktober 2008
om 16.30 uur
vindt in de
Gelaghkamer van de SOOP
de opening
plaats
van SYLVIA’ s expositie
(aquarel, gouash en Siberisch krijt)

“Als
het raak is, is het raak”
“Ik
wil de bezoekers van de SOOP graag verrassen met een mix van
mijn dieren, naakten en stadsgezichten. Dat zijn de
onderwerpen waar ik me op het ogenblik het meest op
concentreer.
Hoewel
ik al zo’n kleine dertig jaar teken, ben ik nog altijd aan
het leren: wat is er zwak aan het werk, wat klopt er niet
helemaal, hoe en waar kan ik het nog verbeteren. Het komt
neer op leren, leren, leren, elke dag. Ik ben van de ene op
de andere dag begonnen met tekenen. Mijn opleiding is
expressie door woord en gebaar. Verdiende mijn geld met les
geven, acteren, dansen en zingen. En als dat soms niet
voldoende opleverde was ik kokkin. Het gekke is dat ik wel
mijn leven lang heb willen tekenen.
Ik
herinner me dat we op de kleuterschool twee kleine ezeltjes
tot onze beschikking hadden. Meestal was ik te laat om er
eentje te bemachtigen, maar als dat wel eens lukte, was ik
altijd doodongelukkig met het resultaat. Ik wilde zo graag
tekenen, maar ik kon het niet. Tót ik op een dag - ik was
toen al begin dertig - ontdekte waar het aan lag. Wat er
toen gebeurde? Ik zag een vogel. Pakte potlood en papier en
ging die vogel tekenen zonder ooit een oog van het beestje
af te houden. Dát was het. Heel simpel: het constante oog -
beeld contact. Dat had ik nodig. Het was een ware Aha -
Erlebnis. Vanaf die dag ben ik niet meer gestopt met
tekenen. Aanvankelijk werkte ik alleen met grafiet en
Siberisch krijt. Pas veel later ben ik met kleur gaan
werken. Bij de Open Inloop in het van Gogh Museum ging ik
model tekenen en tot vandaag de dag teken ik dieren in Artis.
Ik
ben en blijf natuurlijk toch ook een theatermens en in 1996
heb ik 150 duiven gemaakt van krantenpapier uit de hele
wereld. Die duiven heb ik vervolgens losgelaten op de Dam.
Een ware happening. Ik ben altijd wars van les nemen
geweest.
Heb
om zo te zeggen mijn eigen opleiding gecreëerd. Wat ik zoek
in mijn werk is verdieping van mijn onderwerpen. Onder geen
beding wil ik alleen maar mooie plaatjes maken. Met die
verdieping ben ik altijd bezig. En ’s nachts droom ik er
van. Dat gaat dus duidelijk nooit meer over. Een andere
droom die ik heb, is ooit groot te kunnen werken, zodat er
een dans ontstaat. Ik houd van beweging in mijn werk. Heb
wat je noemt een snelle hand. Ik werk nooit lijntje voor
lijntje. Maar veel meer van: als het raak is, is het raak.
De laatste tijd ben ik ook gaan schilderen, maar ik voel me
nog steeds meer een tekenaar dan een schilder.
Volgend jaar
word ik zestig en dan krijg ik een overzichtstentoonstelling
in de Amstelkerk. Daar heb ik al eerder een keertje
geëxposeerd; toen alleen met mijn stadsgezichten. Op weg
naar Artis fiets ik langs de SOOP en dan kijk ik altijd even
op de affiches, die op de ramen hangen. Ik vraag me af wie
er op dat moment exposeert en of ik even naar binnen zal
gaan om te kijken. Soms doe ik dat, soms ook niet. In de
SOOP is het heel anders dan ik me voorstelde dat een
ouderensociëteit zou zijn. Het is meer een soort gezellige
huiskamer met een bar. Een omgeving waar mensen zich
duidelijk op hun gemak voelen en elkaar kennen. Ik hoop dat
ze mijn werk waarderen.
Hoe dan ook: ik verheug me op mijn
expositie.”
Interview: Janny Lok
September 2008
in de Gelaghkamer van de SOOP
|
“De vorm van een schip fascineert me.
Vooral die van de ouwe stoomschepen. Alles aan zo’n schip
interesseert me, maar ik word het meest geboeid door de
machinekamer, het hart van het schip. Om de vorm van de schepen weer
te geven maak ik gebruik van sjabloondruk, een grafische techniek.
Mijn schepen bestaan niet echt. Ik heb er een paar waarvan de
achterkant aan een tjalk doet denken, maar in wezen zijn het
allemaal fantasieën in mijn hoofd. Ik teken de vorm zoals die zich
aan mij opdringt en leg een sjabloon op het papier. Dan snijd ik
alle onderdelen waaruit mijn fantasieschip bestaat, apart uit.
Vervolgens ga ik met inktrolletjes over het sjabloon. Zo kleur ik de
uitsparingen in en bouw ik het werk op. Tot ik de vorm bereikt heb
die ik in gedachten had. Dan begin ik aan de machinekamer. Dat hokje
is cruciaal, daar gebeurt het allemaal. Het belang van dit onderdeel
benadruk ik door gebruik te maken van tandwieltjes en andere
onderdeeltjes van horloges en klokjes. Nee, mijn werk beweegt niet
en maakt ook geen geluid. Waar mijn fascinatie voor schepen vandaan
komt? Dat heeft alles te maken met het gevoel van vrijheid dat ik
krijg bij het zien van schepen en water. Op een schip ben je een
vrij mens. Ik heb als kind de oorlog meegemaakt (ben van 1930) en in
die jaren nogal wat hand- en spandiensten verricht. Mijn vader
drukte illegale krantjes en ik bracht ze weg. Dat was soms
behoorlijk heavy. Altijd weer die angst dat een Duitser me aan zou
houden en vragen wat ik daar toch wel allemaal onderin mijn karretje
had liggen. Dat gevoel van angst en onvrijheid ben ik mijn leven
lang nooit meer helemaal kwijtgeraakt.Op de Kunstnijverheidschool
heb ik grafische technieken leren kennen. Het sprak me aan en ik ben
daarin verder gegaan. Aanvankelijk heb ik voor diverse uitgeverijen
gewerkt en me gespecialiseerd in het maken van boekomslagen. Eind
jaren zestig ben ik voor mezelf begonnen en wat je noemt ‘in de
kunst gegaan’. Door de combinatie van particuliere opdrachten voor
het maken van boekomslagen en de verkoop van mijn werk is dat
redelijk gelukt. Ik ken de SOOP omdat ik een paar keer bij openingen
van tentoonstellingen van bevriende kunstenaars ben geweest. En ik
heb er ook een computercursus gevolgd. Ik heb wel iets met de SOOP,
wip er graag zo nu en dan even binnen. Kopje koffie drinken, praatje
maken met deze of gene. Het is er heel informeel. Ik vind het leuk
dat Ingeborg Kurpershoek me vroeg of ik er wilde komen exposeren en
ik ben benieuwd naar de reacties van de bezoekers op mijn schepen”.
Interview: Janny Lok
|
|
De
expositie “DE SPANNENDE WERKELIJKHEID”
van kunstenaar en
buurtbewoner GEERTJE AUKEMA
wordt geopend op
DONDERDAGMIDDAG 7 FEBRUARI om 16.30 uur
in de Gelaghkamer van de
SOOP.
 |
|
Ik
wil de bezoekers van de SOOP graag laten zien hoe spannend het is
wat je allemaal met je ogen kunt waarnemen. Dat blijft me boeien: de
lichtval, de ruimtelijkheid, de kleuren, dat soort dingen. Ik werk
figuratief. Dat betekent voor mij kijken naar de werkelijkheid en
daar zo dicht mogelijk bijkomen. En tegelijkertijd probeer ik aan
het banale van diezelfde werkelijkheid te ontsnappen door er zo ver
mogelijk in door te dringen. In dat spanningsveld maak ik mijn werk.
Dat lukt alleen als je heel intensief kijkt en voor de volle honderd
procent geconcentreerd bent; als je op tijd stopt en een tijdje
alleen maar als het ware vanuit je ooghoeken naar het werk kijkt.
Pak je het dan later weer op dan zie je wat al goed is en vooral wat
nog beter kan. Ik heb de neiging te lang door te gaan, maar wat dat
betreft gaat het steeds beter. Soms moet je iets wel in één keer
afmaken. Zoals wanneer je probeert aardbeien of anemonen te
schilderen. Die verpieteren natuurlijk erg snel. Mijn studiejaren
aan ‘de Rietveld’ en later aan de Rijksacademie vonden plaats in een
tijd dat de kunstenaarswereld nogal neer keek op figuratief werken.
Men vond het oubollig en ouderwets. Alles moest abstract of
conceptueel zijn. Ik koos beeldhouwen als afstudeerrichting en daar
heerste deze opvatting nóg meer dan op de afdeling vrije grafiek en
schilderen. Maar ik heb altijd willen vastleggen wat ik zie en
daarin ben ik nooit veranderd. Ik ben vóór alles op zoek naar
helderheid; wil precies begrijpen wat ik zie. Een voorbeeld? Ik vind
paarden geweldig. Om de vorm er van goed te begrijpen wil ik zo’n
paard dan ook tot in de kleinste details leren kennen. Precies weten
bijvoorbeeld hoe een oor in elkaar zit. Of een enkelgewricht. Het
liefst zou ik een paard mee naar mijn atelier willen nemen. Om er
eindeloos naar te kunnen kijken. In wezen doe ik dat ook. In mijn
hoofd. En daarmee ga ik aan het werk. Om het goed in je vingers te
krijgen moet je keihard werken en eindeloos prutsen. Door paarden te
boetseren leer ik veel over vorm en ruimtelijkheid, wat me goed van
pas komt bij het schilderen. Ik heb nu ook enkele “olieverf -
paarden” en daar neem ik wel iets van mee naar mijn expositie bij de
Soop. Naast schilderen en beeldhouwen houd ik me bezig met het
verven van textiel. In een eigen laboratorium voorzien van twee
verfmachines, verf ik kleurstalen in opdracht van
confectiebedrijven. Het is intrigerend werk en het betekent brood op
de plank. Een expositie bij de Soop is voor mij een goede
gelegenheid mijn werk te laten zien aan een grote groep
buurtgenoten. Ik was er kortgeleden nog voor het Kerstconcert. Er
heerst een ontspannen sfeer en het bruist er van activiteit."
Interview: Janny Lok
Interview met Eddy
EDDY:
“
Vergelijk me maar met een bakker; die maakt brood, ik prenten”
“Ik
ga bij de SOOP een gedeelte van de Gelaghkamer versieren met een serie
prenten van Amsterdam. Van de Bloemgracht tot de Rechtboomsloot en van
de Gay Parade tot de Nieuwmarkt. Het gaat om een serie van tien stuks.
Grotendeels linoleumdruk, maar ook een enkele zeef - en sjabloondruk. Ik
vind het interessant om al die verschillende grafische technieken te
combineren. Hoe handmatiger ik kan werken, hoe plezieriger ik het vind.
De meeste prenten produceer ik in mijn eigen atelier, maar soms maak ik
gebruik van de faciliteiten van het Amsterdams Grafisch Atelier. Voor
het maken van zeefdrukken bijvoorbeeld. Daar komt giftig spul bij kijken
en dat heb ik liever niet in mijn eigen atelier. Ik woon er boven en
daar loopt nog een zeer jong kind rond, dus je snapt wel dat ik met dat
soort zaken een beetje voorzichtig ben. Ik heb al sinds jaar en dag een
eigen galerie in de Hartenstraat. Ik werk ook samen met andere
galeriehouders als dat zo uitkomt. Ze kopen dan werk van mij en maken
daar vervolgens zelf een tentoonstelling van. Sinds ik een eigen galerie
heb komt het niet vaak meer voor dat ik ergens anders exposeer. Maar ik
vond het leuk dat Peter Moorrees met het idee kwam de bezoekers van de
SOOP te laten kennismaken met mijn grafisch werk. Ik houd niet zo van
solo-optredens en daarom heb ik Shirley Clement gevraagd samen met mij
bij jullie te gaan exposeren. Een groter contrast tussen ons beider werk
is bijna niet voor te stellen. Maar juist daarom denk ik dat het een
boeiend geheel gaat opleveren. De tijd zal het leren”.
Interview:
Janny Lok
Interview met
kunstenaars en buurtgenoten
PETER DE LEEUWE en
RONALDA BODDÉ
ter gelegenheid van
de expositie “Hommage aan de Plantage”
in de Gelaghkamer van
de SOOP van 8 november tot en met 5 december .
PETER DE LEEUWE:

De
schilderijen die ik
wil laten zien, hebben te maken met de Plantage. Mede daarom vind ik het
leuk om in de SOOP te exposeren. De Nieuwe Kerkstraat hoort tenslotte
tot de Plantagebuurt. Waarom ik de Plantage als onderwerp heb gekozen?
Dat heeft o.a. te maken met de architectuur. Die mooie individuele
huizen uit de tweede helft van de 19e eeuw vind ik heel
bijzonder. En dan de ruimtelijkheid. In de rest van Amsterdam is alles
zo geconcentreerd, zo weinig ruimtelijk. Maar in de Plantagebuurt kun je
tussen de huizen door nog genieten van prachtige luchten en van groen,
zoals het Wertheimpark. Wat bij mijn keuze voor de Plantage ook
meespeelt, is de geschiedenis van de buurt. Er hangt een schaduw van de
oorlog over. Dat alles bij elkaar maakt de buurt voor mij zo ontzettend
interessant om te schilderen. Mijn werk zou je romantisch realistisch
kunnen noemen. Gebaseerd op de realiteit, maar met een sterk romantische
kant. Ik geef je een voorbeeld. In een van mijn schilderijen van de
Hollandse Schouwburg is een belangrijke plaats ingeruimd voor de
tramrails in de Plantage Middenlaan, omdat die voor mij symbool staan
voor het wegvoeren van de joden. Ik voeg een dergelijk element toe,
omdat ze het werk een meerwaarde geven en sfeerbepalend zijn. Ik kom
oorspronkelijk uit Den Haag en heb daar de Koninklijke Academie voor
Beeldende Kunst gevolgd. Dat was een heel degelijke, ambachtelijke
opleiding. Ik ben begonnen als beeldhouwer. Zo om en nabij mijn
dertigste ben ik daarnaast ook gaan schilderen. Beeldhouwen en
schilderen liggen dicht bij elkaar. Wat je niet goed in een beeld kunt
uitdrukken lukt vaak wel in een schilderij en andersom. De combinatie
schilderen en fotograferen is overigens ook een hele interessante.
Foto’s kunnen het werk versterken, maar anderzijds ook heel precies
contrasten laten zien. Daarom vind ik het leuk dat ik bij de SOOP samen
met mijn vriendin Ronalda Boddé exposeer. Zij
is
fotograaf en net als ik zeer geboeid door de Plantagebuurt.
RONALDA BODDÉ:
Met
mijn foto’s wil ik de bezoekers van de SOOP graag laten zien wat licht
is en wat licht kan doen. Ik heb mijn foto’s genomen vanuit één en
hetzelfde punt: mijn raam op de vierde étage op het Entrepôtdok. Over
het water heen neem ik de wolken en pik dan nog net wat gevels van de
Plantage Kerklaan mee. Sommige foto’s schelen maar een seconde in
opnametijd; je ziet het licht schuiven en de wolken zien er steeds
anders uit. Als het donkerder wordt, verandert ook de kleur van het
water. Heel fascinerend. Ik deed jaren lang de belichting bij een
Theatergroep. Door dat werk ontdekte ik wat licht allemaal kan doen.
Toen ben ik in mijn vrije tijd gaan fotograferen. Het werkt verslavend.
Ik kan geen zon zien ondergaan of een dreigend onweer aan zien komen of
ik pak mijn toestel. Ja zeker, ik heb ’m altijd bij me. Ik hoop met mijn
foto’s iets toe te voegen aan Peter’s expositie. De SOOP kende ik al;
ben er een aantal keren als gast geweest bij vernissages van kunstenaars
die ik kende. Er hangt een gezellige sfeer en ik voelde me er meteen
thuis. Ik verheug me op de opening en als er gelegenheid voor is wil ik
graag iets voorlezen uit mijn pas geschreven boek ‘Oma zit op de kast
Interviews: Janny Lok
NILS WIELAND exposeert in de Gelaghkamer
van de SOOP
van donderdag 5 juli tot en met woensdag 12
september 2007.

“Altijd op zoek naar iets dat ik zelf niet kan doorgronden”
“Misschien
typeer ik mezelf nog het meest adequaat met het woord ‘multi-artiest’.
Op allerlei manieren probeer ik altijd met kunst en schoonheid bezig te
zijn, of het nu om gitaar spelen, zingen, componeren, het schrijven van
songteksten of gedichten, tekenen of schilderen gaat. Op mijn zestiende
deed ik toelatingsexamen conservatorium: klassiek gitaar. Na deze
opleiding nam ik nog een half jaar klassiek zangles. Daarna heb ik
geprobeerd, en dat doe ik nog steeds, om mezelf verder te ontwikkelen.
Sinds ruim tien jaar schilder ik; ben een autodidact op dit gebied.
Eerst maak ik tekeningen ‘in het veld’ die ik vervolgens in de huiskamer
vertaal naar schilderijen. Aanvankelijk wilde ik het bij tekenen laten.
Het heeft vier jaar geduurd voordat ik een tekening in een schilderij
durfde om te zetten. Bij een goede vriend, schilder en ex-leraar aan de
Rietveld Academie, sloeg mijn eerste schilderij goed aan. Een enorme
stimulans voor mij om door te gaan. De vriend in kwestie kocht het doek
overigens later nog aan ook. ‘In het veld’ tekenen betekent voor mij
vrijwel automatisch het Amstel-gebied. Een geschiktere keuze kan ik me
nauwelijks voorstellen. Ik schilder uitsluitend met olieverf; het past
goed bij mijn nogal traditionele aanpak. In mijn werk refereer ik soms,
met gepaste afstand en respect natuurlijk, aan de meer
impressionistische werken van bijvoorbeeld Van Gogh, maar ook aan het
werk van een ‘magisch realist’ als René Magritte. Wat ik wil overbrengen
op de kijker? Het zal vast niet bij elk doek lukken, maar ik zou graag
willen dat de in mijn schilderijen verbeelde werkelijkheid (huizen,
bomen, struiken en water) bij de observeerder transformeert naar een
soort visioen. Ik hoop bij de mensen een persoonlijke, innerlijke
beleving op te roepen. Overigens zijn er op deze tentoonstelling enkele
doeken van niet meer bestaande Amstelhuizen en ‘buitens’ te zien, die ik
op basis van overgeleverde gravures op eigen wijze heb geïnterpreteerd.
Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat de ‘werkelijkheid’ op mijn doeken
eerder een middel is dan een doel. We worden in deze wereld vaak
geconfronteerd met alles behalve poëtische zaken en gebeurtenissen. Met
mijn schilderijen wil ik laten zien dat er ook nog zoiets als schoonheid
en poëzie bestaat. Als mensen het gevoel krijgen: ‘hé, hier gebeurt
iets, er is hier meer aan de hand dan wat ik zie’, dan heb ik mijn doel
bereikt. Het type mensen dat ik bij de SOOP heb ontmoet heeft serieuze
belangstelling voor kunst en cultuur. Daarom vind ik het interessant om
daar mijn ‘landschappen-met-dubbele-bodem’ ten toon te stellen. De
muzikale omlijsting tijdens de vernissage op 5 juli a.s. zal bestaan uit
een vriendentrio: piano, bas en ikzelf als zanger. Als iemand meer over
mijn werk zou willen weten dan kan dat via mijn website:
www.nilswieland.nl. ”
Interview: Janny Lok, mei 2007.
van donderdag 24 mei tot en met woensdag 04
juli 2007
U bent van harte welkom op de
feestelijke opening van haar expositie
“AMSTERDAM IN LINO”
op donderdagmiddag 24 mei om 16.30 uur.
“Heb je de pest in? Ga gutsen in linoleum,
je snijdt alles van je af”
Toen Bob van Amelrooij me vroeg of ik bij de SOOP wilde
exposeren, reageerde ik meteen positief. Je wilt toch graag dat zoveel
mogelijk mensen kennis kunnen maken met je werk. Ik ken de SOOP een
beetje en schat de bezoekers in als mensen die geïnteresseerd zijn in
Amsterdam. Ik kom dus met een aantal werken, die herkenbaar zullen zijn
voor veel mensen. Allemaal Amsterdamse plekken en oorspronkelijk gemaakt
voor de Historisch-Topografische Atlas van het Gemeentearchief
Amsterdam. Deze historische collectie topografische tekeningen en
prenten wordt sinds 1934 aangevuld met eigentijdse beelden van de stad.
Aanvankelijk moest je als kunstenaar worden uitgenodigd hieraan mee te
doen - men heeft mij bijvoorbeeld ergens in de jaren negentig daarvoor
benaderd -, maar nu kan iedereen eenmaal per jaar werk aanleveren dat
met de stad te maken heeft. Daaruit worden enkele stukken geselecteerd
en aangekocht. In1998 had men inmiddels ruim 20 linosneden van mij
aangekocht en in dat jaar werd mijn werk bekroond met de Hans Jaffé
prijs. Wat mijn fascinatie met lino’s is? Je kunt met simpele vormen
hele complexe beelden maken. En je ziet meteen het resultaat. Heel
belangrijk, want je bent natuurlijk ontzettend nieuwsgierig hoe de
afdruk er uit komt te zien. Het zal verder ook wel te maken met mijn
onafhankelijke geest. Ik heb graag alles onder contrôle. Voor het maken
van lino’s hoef ik de deur niet uit. En ik kan er aan werken op elk
moment dat ik daar zin in heb. Ik heb aanvankelijk ook wel geëtst en aan
lithografie gedaan. Maar ik vond het erg bewerkelijk allemaal. Moest
altijd ergens anders naar toe om gebruik te maken van een pers. Nee,
lino’s zijn het helemaal voor mij, ik ben er inmiddels zo’n 26 jaar mee
bezig. Ik begin met het fotograferen van mijn onderwerp. De foto laat ik
spiegelbeeldig afdrukken en vervolgens kopiëren op het formaat van de
lino die ik wil maken. Ik gebruik glad linoleum en snij dat met een
stanleymesje op het juiste formaat. Dan begint het zogenaamde gutsen.
Met verschillende gutsmesjes (sommige in V-vorm, andere met bolletjes)
snij je in de lino. Gutsen in dat stugge linoleum vergt behoorlijk wat
energie. Je gebruikt al je spieren om de nodige kracht te zetten. Het
is lekker en bevrijdend. Ik kan het iedereen aanraden: heb je de pest
in, ga gutsen in linoleum, je snijdt alles van je af. Door het gutsen is
er hoogteverschil ontstaan. De hoger gelegen vlakken pakken de inkt als
je er met de roller over heen gaat. Hoe de zwart-wit verhouding er
precies uit komt te zien laat ik aan het toeval over. Dat maakt het
juist zo spannend. Voor de afdruk gebruik ik heel dun Japans
rijstpapier. Nog even iets over mezelf: ik ben geboren en getogen in
Enschede en sinds 1986 Amsterdammer. Na mijn opleiding aan de AKI (Akademie
voor Beeldende Kunst en Industrie) te Enschede heb ik de Rijksakademie
voor Beeldende Kunsten in Amsterdam gevolgd. Behalve lino’s en andere
kunstobjecten maken, werk ik parttime als dierenartsassistente. Voor mij
een ideale combinatie. Ik verheug me er op veel bekende en onbekende
buurtgenoten (ik woon in de Plantage Kerklaan) op 24 mei bij de opening
van mijn expositie te treffen”
Interview: Janny N. Lok
|
|
EVERT VAN BARNEVELD exposeert
in de Gelaghkamer van de SOOP
van donderdag 5
april tot en met woensdag 23 mei 2007.
U bent van harte
welkom op de
feestelijke
opening van zijn expositie
“SCHEUREN en
PLAKKEN”
op
donderdagmiddag 5 april om 16.30 uur.
“Door te scheuren
gaat er wat gebeuren” |
|
Als puber liep ik het Stedelijk Museum al plat. Maar mijn vader zei: ‘van
de kunst kunnen maar weinig mensen leven’. En dus werd ik brillenmaker,
want dat vak beoefende vrijwel iedereen in onze familie. Het bloed kroop
toch waar het niet gaan kon: al mijn vrienden waren kunstschilder of
onderweg om dat te worden. En ik trouwde met een meisje, dat ook in de
kunst zat. Het werd uiteindelijk niks tussen die brillen en mij. Ik ging
op les bij een kunstschilder. De hele basis van het schilderen en de
compositieleer heb ik bij hem opgestoken. Maar het allerbelangrijkste
was dat die man me leerde kijken. Vele jaren later heb ik weer les
genomen. Nu bij een van zijn allerbeste leerlingen. Het werk dat ik
aanvankelijk maakte, zou ik nu typeren als nogal wild en explosief. En
altijd uit het hoofd. Ik maakte natuurlijk wel gebruik van wat ik om me
heen waarnam, maar als ik eenmaal begon had ik het helemaal niet meer in
de hand. De laatste jaren is mijn werk veranderd. Rustiger, meer
gerijpt. Wat minder spontaan wellicht ook. Ik maak nu vaak eerst een
foto van iets dat ik graag wil schilderen. Niet dat je later veel van de
foto terugvindt in het werk; je moet het eerder zien als een bron van
inspiratie. Ik gebruik nu ook andere technieken dan vroeger. Maak
eigenlijk alleen nog collages met gouache. Wat je daarvoor nodig hebt?
Alleen papier, lijm en een kwast. Ik werk met heel dun door mijzelf
gekleurd papier. Dat papier is zo dun, je kunt er bijna doorheen
kijken. Het voegt gemakkelijk en je kunt er andere kleurtjes overheen
plakken. Ik gebruik nogal eens pakpapier als achtergrond. Dat
bruinachtige papier zet ik dan tegen de lichtere kleuren aan, waardoor
het geheel een soort goudachtige uitstraling krijgt. Het geeft een extra
effect bij het schilderen. Scheuren is een wet, er mag absoluut geen
schaar aan te pas komen. Juist door te scheuren gaat er wat gebeuren. Je
weet vooraf niet hoe het papier kapot zal gaan. Dan ga je plakken. Vaak
ontstaat er iets heel anders dan wat je in je hoofd hebt. Daardoor is
collages maken juist zo spannend. Met een aantal bevriende Amsterdamse
schilders hebben we in 1990 ‘Collectief Blauw Amsterdam’ opgericht. Soms
exposeren we samen. Zoals op het ogenblik bij de VPRO in Hilversum. De
SOOP heb ik leren kennen door de expositie die Rob Brandes een tijdje
geleden bij jullie heeft gehad. Dat leidde tot mijn deelname aan een
computercursus en een vraag van jullie kant om in het najaar een cursus
‘scheuren en plakken’ te komen geven. Daar verheug ik me nu al op. Ik
voel me thuis bij de SOOP; het is er gezellig en ik hoop dat me op
donderdag 5 april een leuke opening te wachten staat.
Interview: Janny Lok
Rijk van den Hoek’s
tentoonstelling
‘MASKERS VAN KLEI’
wordt geopend in de
Gelaghkamer van de SOOP
op donderdag 8
Februari 2007 om 16.30 uur.
“Raku stoken is
altijd weer een avontuur”
“Ik heb wel eens op een clubje gezeten, waar we tekenden en schilderden.
Ik deed mijn best, maar het resultaat was nooit naar mijn zin. Werken in
twee dimensies ligt me kennelijk niet zo. Boetseren gaat mij veel beter
af. Ik werk met witbakkende klei. Je kunt geboetseerde figuren
natuurlijk gaan beschilderen met alle tinten die je maar wilt, maar ik
doe dat zelden. Ik vind dat het al gauw “tuinkabouter”- effecten geeft.
Het gaat mij vooral om de vorm; kleuren leiden af. Glazuren en raku
stoken geven ook effecten aan een werkstuk, maar leiden niet of
nauwelijks af van de vorm. Klei is een van de eerste materialen waarmee
de mens ging werken. Het is door wind en water afgesleten en fijngemalen
steen. Een natuurproduct dus. Klei is - net als de mens - deel van de
aarde. De eerste vormen die mensen maakten, waren gemaakt van klei.
Sinds een paar jaar houd ik me bezig met raku stoken. Het werkstuk dat
je hebt gemaakt, gaat allereerst de oven in om te worden gebakken. Als
het na afkoeling hard is geworden, smeer je er een speciale glazuur op.
Daarna gaat het weer de oven in. Vervolgens wordt het even blootgesteld
aan de buitenlucht, waardoor er barstjes springen in het glazuur. Dan
gaat het - nog steeds gloeiend heet - in een grote bak met zaagsel.
Deksel er op. Binnen in de bak gaat het smeulen en ontzettend roken. De
rook trekt in de barstjes en vertaalt zich in het eindproduct als zwart
craquelé. Raku stoken is altijd weer een avontuur. Je weet nooit hoe de
zwarte streepjes zullen lopen. En of er veel of weinig streepjes zullen
verschijnen. Door ervaring en heel zorgvuldig werken kun je de uitkomst
wel steeds een beetje beter voorspellen. Maar sturen is er niet bij. Ik
vind het een fascinerende bezigheid. Ongeveer twee derde van het
tentoongestelde werk is raku gestookt. Mijn fascinatie betreft overigens
niet alleen het boetseren en alles wat daar bij komt kijken. Ook met de
achtergronden houd ik me bezig. Bij het maken van maskers verdiep ik me
bijvoorbeeld in onderwerpen, die er direct of zijdelings mee te maken
hebben zoals natuurgodsdiensten en voorouderverering. Dat maakt het
allemaal extra spannend. Bij de Soop geef ik twee cursussen boetseren,
één voor beginners en één voor gevorderden. Ik probeer de mensen te
leren hun hersens op een wat andere manier te gebruiken dan tot nu toe;
creatiever en meer op het gevoel gericht. Dat lukt heel aardig. Er komen
vaak ontroerend mooie beeldjes uit, heel gevoelig en met veel liefde
gemaakt. Het gaat soms wel gepaard met gezucht, gevloek en gesteun, maar
het plezier in het creëren en het gevoel van trots als iets uiteindelijk
lukt, overheerst. Mensen die dachten niets creatiefs in zich te hebben,
verbazen zich zelf regelmatig. Kortom: het is voor mij meer dan de
moeite waard daar een deel van mijn tijd en aandacht aan te geven.”
Interview: Janny N. Lok
AQUARELLEN en GEDICHTEN
van SONJA DWINGER
in de Gelaghkamer van
de SOOP tot medio januari 2007.
“De aquarel is de
voortzetting van mijn bloedsomloop in water”
"Aquarelleren is echt mijn techniek. Past heel goed bij
mijn karakter. Ik ben direct en impulsief; dat geldt ook voor de
aquarel. Met gouashes en olieverven kun je eindeloos doorgaan, dingen
veranderen. Dat kan niet met aquarelleren. Ja, je zou het werk
natuurlijk kunnen afwassen, maar dat doe ik niet. Bij aquarelleren moet
het er meteen stáán, het moet direct goed zijn. Natuurlijk begint alles
met goed kunnen tekenen.Tekenen is de basis, oftewel de moeder van alle
schilderkunst. Ik heb getekend vanaf het ogenblik dat ik een potloodje
vast kon houden. Na mijn middelbare schooltijd wilde ik graag naar de
kunstnijverheidsschool. Dat mocht niet van mijn vader. Hij vond dat ik
een vak moest leren waar ik later altijd mijn brood mee zou kunnen
verdienen. Dat werd mode tekenen op de mode vakschool. Later - getrouwd
en moeder - heb ik jarenlang model getekend. Daar heb ik niet alleen
écht leren tekenen, maar vooral ook leren kijken. Ik heb keihard
gewerkt; het duurt heel lang voor je het helemaal onder de knie hebt.
Toen ik dieren in Artis ging tekenen gebeurde het. Die dieren bewegen
steeds, zodat het lastig is ze goed te tekenen. Zonder dat ik me er erg
bewust van was sloeg ik de tekenfase over en pakte meteen verf, penseel
en water. En dat doe ik nu al ruim dertig jaar. Toen mijn jongste kind
zo’n jaar of 16 was, heb ik me in de vrije kunst gestort. Zelf contacten
zoeken, met mijn mappen op pad. Een vriend zei: ‘die aquarellen van jou
zijn heel geschikt voor ansichtkaarten’. En zo kwam ik bij de
kaartenuitgeverij Art Unlimited terecht. Aanvankelijk namen ze alleen
mijn katten, maar later ook andere dieren, bloemen en landschappen. Het
was goed voor mijn bekendheid. Mijn eerste tentoonstelling had ik bij
Galerie de Sphinx op de Oude Zijdsvoorburgwal. Daarna ging het snel. Na
140 tentoonstellingen ben ik gestopt met tellen. Sinds 2001 zit er o.a.
werk van mij in het Rijksprentenkabinet van het Rijksmuseum, het
Theatermuseum, het Kattenkabinet - alle drie in Amsterdam - en het
Teylers-museum in Haarlem. Ik heb me nooit willen binden aan een
bepaalde galerie, wil me helemaal vrij voelen. Als jong meisje maakte ik
altijd gedichten. Je kent dat wel: over de mist en over de dood, van dat
soort puberteitonderwerpen. Veel later in mijn leven dacht ik: het zou
toch wel leuk zijn om bij mijn aquarellen gedichten te maken. In 1994
verscheen mijn eerste boekje, later heb ik er nog twee gemaakt ‘de
Bejaarde Bok’ en ‘Oi, die Poes’. Aquarelleren blijft overigens
prioriteit, maar het maken van gedichten ervaar ik vaak als bevrijdend.
Wat dat aquarelleren betreft nog even: je krijgt in de loop der tijd een
eigen handschrift. Mijn werk is o.a. herkenbaar doordat ik kleine
gedeeltes wit laat. De meeste kunstenaars vullen die stukjes wit later
op, maar bij mij blijven ze staan. Ze geven iets abstracts aan mijn
werk en staan als het ware symbool voor mijn - snelle - werkwijze en
voor de emotie, die het werk bij mij oproept. Die witte gedeeltes zijn
daardoor een belangrijk onderdeel van mijn handschrift geworden. De SOOP
ken ik omdat Wiljen van Seters’ boekje “Eetbare Mannen” bij jullie ten
doop is gehouden en omdat Jeanne Wesselius er onlangs een expositie had.
Bij beide gebeurtenissen was ik aanwezig. Ik vond de sfeer bij de SOOP
bijzonder, voelde me er meteen op mijn gemak. Ik exposeer er graag mijn
werk en hoop dat veel mensen er met plezier naar zullen kijken”.
Interview: Janny N.
Lok, november 2006.
2006
INTERVIEW MET
KUNSTENAAR en BUURTBEWONER
HANS GRITTER
"Op mijn vijftiende had ik al een expositie en werd er werk van mij
aangekocht door het Rijk. Ik kom uit een Haags schildersnest: beide
ouders kunstschilder en altijd veel kunstenaars over de vloer. Je denkt
nu waarschijnlijk dat ik na mijn middelbare school wel naar de
Koninklijke Academie in Den Haag ben gegaan, maar dat gebeurde niet.
Mijn ouders zeiden: ‘ tekenen en schilderen kun je al, ga nu maar een
vak leren’. Op mijn achttiende ben ik naar Amsterdam gegaan, Frans
studeren aan wat toen de GU (Gemeente Universiteit) heette. Nee, niet
naar Leiden. Amsterdam had voor mij een magische klank, er was daar van
alles aan de hand. Ik heb het nu over de jaren zestig. Ik woonde vlakbij
het Lieverdje aan het Spui en heb het allemaal meegemaakt. Het bloed
kruipt overigens waar het niet gaan kan en ik heb tijdens mijn studie
ook nog twee jaar avondonderwijs gevolgd aan de Rijksacademie aan de
Stadhouderskade. In 1968 studeerde ik af en werd leraar Frans aan een
Scholengemeenschap in Voorburg. Ik leidde in die tijd een soort
dubbelleven. Elke dag vroeg op om op tijd op mijn werk te zijn en ’s
avonds naar het Lieverdje. Korte nachten, een wilde tijd. Provo-beweging,
Maagdenhuisbezetting, enz. Met een stelletje oud-provo’s en kunstenaars
als Roel van Duijn, Peter Schat en Gerben Hellinga hebben we in 1973
Ruigoord gekraakt en zijn er gaan wonen. Vaste baan opgezegd, een tijdje
sandalen gemaakt, psychologie gestudeerd en me gestort in het Ruigoordse
leven: sex, drugs en rock & roll. Bijna dertig jaar van mijn leven heb
ik er gewoond, gewerkt, liefgehad, kinderen grootgebracht, acties
gevoerd voor het behoud van dat schitterende natuurgebied. En natuurlijk
geschilderd. Vooral dat moerassige duingebied, bekend als het Zand van
Joop den Uyl. Ik heb werk gebracht bij de toen bestaande BKR (Beeldende
Kunstenaars Regeling, JNL) en dat genereerde wat inkomen. Verder deed ik
het niet slecht bij de Kunst-uitleen. In die tijd ben ik ook begonnen
met exposities. In Nederland, maar ook in Zwitserland. Daar had ik tot
voor kort een vaste galerie. Mijn manier van schilderen? Ik ben meer
een tekenaar en aquarellist dan een olieverfschilder. Ik schilder het
liefst op rijstpapier. Dat zuigt meteen de verf op. Je kunt het niet
uitwassen of er opnieuw overheen schilderen. Ik probeer met mijn penseel
in één keer de juiste beweging te maken. Ik moet het hebben van
inspiratie, van spanning en de daaruit voortkomende concentratie. Dat
leidt tot mooie, vloeiende lijnen en vlekken. Vergelijk het maar een
beetje met de Japanse en Chinese schilderkunst of met Picasso, waarbij
de lijnen ook zo belangrijk zijn. Daarom zijn onderwerpen als dansers en
danseressen, mensen die muziek maken of om een andere reden in beweging
zijn, zo geschikt voor mij. Weet je wát moeilijk is? Op het juiste
moment stoppen. Ga je te lang door dan verdwijnt de spanning. Sinds 2002
woon ik op het Entrepotdok. Van de Soop wist ik tot voor kort alleen dat
je er op donderdagmiddag kunt gaan schaken. Ik ben benieuwd naar de
reacties van de buurt op mijn werk dat daar nu in de Gelaghkamer hangt."
Interview: Janny N. Lok, oktober 2006.
“DIEREN IN DE SOOP”
expositie van
schilder en schrijver JEANNE WESSELIUS
van dinsdag 4 juli
tot en met maandag 28 augustus 2006.
|
|
“REIGERKOLONIE IN ARTIS”
gedicht van JEANNE WESSELIUS.
Artis – tijdschrift,
jaargang 52, nummer 2, 2006.
Toegankelijk
door kale bomen,
vliesdun begin,
wordt om
partners
gevlogen, gebekvecht,
nesten betwist,
vrolijke noot,
tegen een
papierlichte lucht.
Wijdbeens waait
een reiger aan,
vervoert zijn
bijdrage vol
overgave, goed
voor stuntwerk.
Jeugd kijkt toe,
ziet af, prutst
wat op een dwarse
tak. Los hout.
Paren klitten in
oksels van
de bergiep, de
kruin biedt
uitvlucht in dit
jaargetijde.
Niet iedere boom
is favoriet,
de zachte berk is
vogelvrij.
Jeanne Wesselius.
|
"Ik was al in de
dertig toen ik met tekenen begon. Het werd een passie die tot vandaag is
gebleven en ik ben nu 74. Ik heb als kind wel eens een hondenkop of iets
dergelijks nagetekend, maar daar bleef het dan ook bij. Na de meisjes -
mulo ben ik kantoorjuf geworden. Vanaf mijn vijftiende jaar, bij veel
verschillende bedrijven. Eerst in Leiden waar ik geboren ben en later in
Amsterdam. Naar Amsterdam verhuizen voelde als emigreren, als een nieuw
leven Ook daar vond ik weer een plezierige kantoorbaan. Toen ik in
verwachting was van mijn zoon ben ik met werken gestopt. Dat ging zo in
die tijd. Later kregen we nog een dochter. Het was allemaal heel leuk
hoor, maar ik ging me stierlijk vervelen thuis., de muren vlogen me aan.
Mijn man schilderde in de weekends en vakanties altijd en op een keer
zei ik tegen hem: ‘dat wil ik eigenlijk ook wel. Kun je me dat niet
leren?’ Hij gaf een wijs antwoord: ‘nee, dat kan ik je niet leren, dat
moet je helemaal zelf doen en heel veel oefenen’. Ik ging naar de
Volksuniversiteit, naar het van Gogh Museum, waar tekenles werd gegeven
en sloot me aan bij de Zondagschilders. Ik besteedde veel tijd aan
modeltekenen en aquarelleren van stillevens en portretten. Op een
gegeven moment ging ik fantaseren over écht schilderen met échte
olieverf. Ik kwam in contact met Anton Rovers. Een gepassioneerd
schilder, die me wel wilde begeleiden. Van die man heb ik ontzettend
veel geleerd. Vijf jaar lang ging ik elke week naar hem toe. Op een
gegeven dag zei hij: ‘nu mag je het verder zelf uitzoeken’. Tot zijn
dood ben ik daarna eens per maand bij hem blijven komen. Voor de
gezelligheid - ik nam voor die gelegenheden altijd een taartje van
Holtkamp mee - , maar vooral ook om te laten zien waar ik mee bezig was.
Zijn oordeel was voor mij ontzettend belangrijk. Toch heb ik nooit iets
geschilderd dat leek op zijn werk. Schilderen komt uit jezelf, net als
schrijven. Dat doe ik óók graag. Bij voorkeur poëzie. Wat ik schilder?
Dieren, landschappen, muzikanten. Vaak in groepjes: een stelletje
koeien, schapen, een zangkoor of een orkestje. Dat soort dingen. Ik ben
lid van de Onafhankelijken, een groep tekenaars en schilders waar ik me
thuis bij voel. Als ik werk begin ik met het maken van snelle
krabbeltjes of ik fotografeer. Thuis werk ik het dan verder uit. Ik
gebruik dan bruine inkt, gouache of olieverf.
Ik ‘krabbel’ graag
in Artis. Heb destijds nog een serie van de mandrilfamilie gemaakt. Vond
het vreselijk toen ze achter elkaar dood gingen. En reigers. Ik ben dol
op reigers, het zijn indrukwekkende vogels. In het blad ‘Artis’ van
april staat een gedicht van mij over de reigerkolonie. Schilderen en
schrijven zitten elkaar nooit in de weg. Soms heb ik zin in het een, dan
weer in het ander. Ik laat het maar komen. In de Soop exposeer ik een
keuze uit mijn dieren. Ik ken de Soop omdat een vriendin van mij daar
heel enthousiast over is en ik was bij de presentatie van Wiljen van
Seters’ dichtbundel ‘Eetbare Mannen’, die bij jullie werd gehouden. Ik
vind het een leuk idee dat Soop-bezoekers deze zomer mijn dieren gaan
ontmoeten."
Interview: Janny N. Lok
LANDSCHAPPEN en STADSGEZICHTEN,
expositie van kunstenaar JOSUA de Jong
in
de Gelaghkamer van de SOOP
van
woensdag 3 mei tot en met maandag 3 juli 2006.

"Tijdens een
bijeenkomst voor aankomende studenten biologie - ik heb het nu over de jaren
zeventig - zei een van de voorlichters: ‘als jullie zijn afgestudeerd kun je
maar het beste een biologisch dynamische patat-kraam beginnen’. Dat
toekomstbeeld sprak mij niet bijzonder aan. Mijn vader gelukkig ook niet en zo
kwam alsnog mijn grote wens uit: ik mocht naar de Rijksacademie voor Beeldende
Kunsten. Vanaf mijn prille jeugd wist ik namelijk al heel zeker dat ik later
schilder wilde worden. Overigens ben ik daar na één jaar afgegooid. Ik was te
eigenwijs. Vanaf dat moment - ik was begin twintig - heb ik mijn eigen weg
gezocht. En dat doe ik nu al zo’n dertig jaar. In de eerste jaren verdien je
bijna niks. Dat werd een kwestie van bijklussen; huizen opknappen en zo. Het
ging steeds beter en dus: minder klussen, meer tijd om te schilderen. En de
afgelopen vijftien jaar heb ik helemaal niet meer hoeven klussen. Hoe ik dat
voor elkaar heb gekregen? Keihard werken. Naast het maken van mooie doeken moet
je er voor zorgen dat mensen je werk ook tegen kunnen komen. Ik ben allereerst
naar een aantal kunstuitlenen gegaan. Dat heeft goed gewerkt. Zowel wat uitlenen
als wat verkopen betreft. En verder maak ik al heel lang deel uit van een
groepje kunstenaars, dat door bedrijven wordt ingeschakeld als er tijdelijk
ergens in de stad een pand leegstaat. Zo zitten we op dit ogenblik met een man
of vijf in een winkelpand in de Ferdinand Bolstraat. Daar is nog geen nieuwe
huurder voor gevonden. We hangen dan allemaal een paar van onze werken op en we
zorgen er voor dat er altijd iemand aanwezig is. Een soort kunst-kraakwacht zou
je het kunnen noemen. In zo’n winkel stappen mensen gemakkelijk naar binnen. Het
is leuk en het werkt. En ik heb drie vaste galerieën. Ik ben altijd bezig met
schilderen. Tot voor kort zeven dagen in de week. Nu neem ik de weekends vrij.
Ik schilder vooral landschappen en stadsgezichten.Maar ik ben ook bezig met het
voorbereiden van een tentoonstelling waar alleen Italiaanse kerkinterieurs komen
te hangen. Die heb ik vorig jaar in Venetië gemaakt. Hoe ik werk? Ik fotografeer
en maak daarna schetsjes. Op een gegeven moment weet ik precies hoe ik het wil
schilderen. Dan zitten vormen en kleuren vast in mijn hoofd. Van de foto’s zie
je weinig terug, daar staat altijd veel te veel op. Ik werk op linnen en gebruik
alleen olieverf. Acryl heb ik geprobeerd, maar dan krijg ik nèt niet wat ik wil.
De structuur van olieverf ligt me goed, het is vettig en smeert lekker uit. Ik
heb vroeger wel grafiek gemaakt. etsen en linosneden. Maar het is me allemaal te
bewerkelijk. Schilderen is lekker direct. Sinds anderhalf jaar heb ik een
atelier in de Plantagebuurt. Ik houd van deze buurt. Veel mooie huizen, de
Hortus, Artis, de Hermitage en niet te vergeten de Dappermarkt. De Soop ken ik
door mijn buurman, Bob van Amelrooij. Ik vind het heel leuk om mijn werk aan de
Soop-bezoekers te laten zien en kijk uit naar 3 mei.”
Interview Janny Lok
|
MAGISCHE MOMENTEN
ELSBETH NIELAND
exposeert in de
Gelaghkamer van de SOOP
van donderdag 16 maart
tot en met dinsdag 2 mei 2006.
|
|
"De terroristische aanslag op de Twin Towers heeft destijds een enorme
indruk op me gemaakt. Ik moest leren accepteren dat er mensen bestaan
die bewust zoiets lelijks, zoiets verschrikkelijks organiseren en
uitvoeren. Mijn leven veranderde er door; kreeg iets vluchtigs. Je kunt
dus dierbare mensen en dingen, ook in onze ‘beschaafde’
Westelijke wereld, in één klap kwijtraken. Niet door een natuurramp,
maar heel bewust door mensenhanden. Stel je even voor: in één klap zijn
we hier in Amsterdam dat prachtige Concertgebouw kwijt. En al die met de
hand gebouwde houten instrumenten, waar zulke schitterende muziek mee
wordt gemaakt. Alles wat ik om me heen zag, kreeg vanaf dat moment een
nieuw licht, dat zich vertaalde in een behoefte dingen vast te leggen en
er van te genieten zolang het nog kan. Ik begon te schilderen. Alle
schilderijen die ik daarna heb gemaakt vertegenwoordigen een speciaal
moment in mijn leven. Daarom heb ik mijn tentoonstelling bij de Soop
‘magische momenten’ genoemd. Een voorbeeld? Ik was vorig jaar met man,
kinderen en hond in Frankrijk. Het was 38 graden, we stikten van de
hitte. We kwamen bij een prachtig kerkje. Je voelde de koelte van die
kerk, je rook het bijna. Precies op het ogenblik dat we naar binnen
gingen, begon het orgel te spelen: een magisch moment. Dat heb ik later
in een schilderij vastgelegd. Ik heb overigens mijn hele leven getekend.
Je zou mijn schriften uit de schooltijd eens moeten zien. Vol met
tekeningen naast de sommen en de teksten. Ik heb ze allemaal bewaard. Na
de middelbare school heb ik toch niet gekozen voor een kunstopleiding,
maar voor een universitaire studie (Spaanse taal en letterkunde). Omdat
ik de maatschappij niet alleen maar wilde uitbeelden, maar er juist
onderdeel van wilde zijn. Kunstenaars hadden voor mijn gevoel een heel
geïsoleerd bestaan en ik wilde midden tussen de mensen leven en werken.
Maar ook tijdens mijn studie heb ik altijd getekend. Het broeide gewoon
in mijn vingers. Ik ben dus autodidact, maar heb wel een aantal
cursussen gevolgd. Ik werk het liefst met acrylverf. Het droogt als het
ware onder je handen, heerlijk vind ik dat. Ik ben dol op kleur en
vooral op het mengen er van. Het levert altijd weer verrassingen op.
Vorig jaar was ik op zondag vaak te vinden bij Amstelrust, dat prachtige
gekraakte landgoed aan de Amstel. De eerste keer dat ik er was, heb ik
de krakers gevraagd of ik mijn schilderijen op de kale witte muren mocht
hangen. Ze vonden het een uitstekend idee en hebben zelfs rails voor me
gemonteerd. Toen ik de zondag daarop met al mijn spullen kwam was het
prachtig weer. Het leek net een sprookje: mijn schilderijen in zo’n
bijzonder huis. Maar het sprookje duurde niet lang. Enkele maanden later
vond er een - keurige, vreedzame - ontruiming plaats. Door mijn
expositie in Amstelrust heb ik de Soop leren kennen. Op een van de
zondagen dat ik daar was, sprak een mevrouw mij aan, ze vertelde over de
Soop en vroeg of ik daar ook niet een keertje zou willen exposeren. En
nu is het dan zover. Het is mijn eerste officiële expositie en dat is
voor mij ook een beetje magie."
Interview: Janny N.
Lok
KUNST & CULTUUR IN DE SOOP
Kunstenaar Rob Brandes
exposeerde in de Gelaghkamer van de SOOP:
“Herinneringen aan de Amstel”, etsen en aquarellen.

Rob Brandes over zijn werk:
"De Amstel heeft mij altijd
aangesproken. Mijn kennismaking dateert van lang geleden. Toen ik vijf
jaar was, voeren we met een sleepboot over de Amstel, op weg naar een
huis dat mijn vader daar had gehuurd. Die tocht staat diep gegrift in
mijn herinnering, het was - kun je achteraf vaststellen - liefde op het
eerste gezicht tussen de Amstel en mij. Het is vooral het water dat me
boeit, maar ook de bruggen, de huizen aan de overkant en andere sporen
van mensenhanden. Mensen zelf zul je overigens weinig aantreffen in mijn
werk. Op een gegeven moment kreeg ik een kamertje op zolder. Mijn
bureautje stond voor het raam en ik keek altijd uit over de Amstel. En
maar tekenen, almaar tekenen. Hoewel ik min of meer voorbestemd was om
architect te worden, werd het de kunstnijverheidsschool aan de Gabriël
Metsustraat (nu Rietveldacademie, JNL). Ik was niet zo’n studiehoofd en
zag erg op tegen zo’n lange en lastige opleiding. Ben meer een doe-mens:
technieken leren en uitproberen, vanalles te weten komen over verf en
experimenteren met kleuren. Ik heb die opleiding met veel plezier
gevolgd. Aanvankelijk maakte ik abstracten, maar later keerde ik terug
naar ‘mijn ‘ Amstel. Behalve aquarelleren heb ik me toegelegd op etsen
met droge naald op kunststof. Deze techniek heeft een groot voordeel
boven de traditionele manier van etsen. Ik kon slecht tegen de
chemikaliën die je daarbij gebruikt; dat hangen boven die zure lucht
zonder goede afzuigapparatuur vond ik heel onaangenaam. Het is volgens
mij ook heel slecht voor een mens. Door een vriend, die glazenier en
graficus is, kwam ik er achter dat je ook mooie etsen kunt maken met
platen van kunststof. Een ontdekking die mij heel veel plezier heeft
gebracht. Je kunt er slechts enkele goede afdrukken mee maken, maar
persoonlijk vind ik dat geen punt. Aan olieverf heb ik me nooit gewaagd.
Om je de waarheid te zeggen: ik heb niks met doek, geef mij maar papier.
In alle soorten en maten, héérlijk. Je hebt speciaal papier nodig voor
het maken van etsen met droge naald en het is steeds weer spannend om te
zien hoe het uit de pers rolt. Ik houd van dat werk. En ik wil het
resultaat graag aan de bezoekers van de SOOP laten zien"
Janny N. Lok
"MUZIKANTEN UIT
MONGOLIË.”
Vanaf donderdag 10 november 2005
exposeert JOS DIJKMAN
in de Gelaghkamer van de SOOP.
De feestelijke - en muzikale - opening vindt plaats
op donderdag 10 november om 16.30 uur.
“Ik wil de bezoekers van de SOOP graag kennis laten maken met ‘mijn’
muzikanten uit Mongolië met hun karakteristieke boventoonzang, spelend
op paarden-viool of langhals-luit. Misschien worden ze door deze of gene
wel herkend, want ze hebben veel gemusiceerd onder de poort van het
Rijksmuseum. Tót de verbouwing. Ze gedragen zich als trekvogels; soms
gaan ze terug naar Mongolië, soms trekken ze verder door Europa. Ik heb
hen leren kennen in 1998. Op de Dam. Ik was gefascineerd en haalde mijn
kleine schetsboekje en grafiet-stift - heb ik altijd bij me - te
voorschijn. Ik teken nooit stiekem, dus ik vroeg beleefd of ik hen mocht
tekenen. Ze vonden het prima. Die middag heb ik al heel wat schetsjes
gemaakt en vanaf dat moment ben ik hen gaan volgen. Kocht een kaartje
wanneer ze optraden in het Tropenmuseum en zocht hen op als ze
musiceerden onder het Rijksmuseum. Daar hebben ze jaren lang gespeeld
van half juni tot eind december. We leerden elkaar kennen, soms belden
ze op om te laten weten dat ze gearriveerd waren. Ik maakte
houtskoolschetsen terwijl ze aan het musiceren waren. Ze vonden het leuk
om het resultaat te zien, waren één en al aandacht. De schilderijen
kennen ze alleen van fotos. Ik merkte dat ik ging reageren op het soort
muziek dat ze maakten. Stoere muziek vertaalde zich in stevige lijnen en
als de groep lyrische muziek maakte werden de lijnen automatisch
zachter. In de loop der jaren heb ik heel veel voorstudies, kleine
notities over kleuren en schetsen van de groep gemaakt. Terug in mijn
atelier zet ik dan al die dingen om me heen. Dan weet ik weer precies
wat ik allemaal gezien en beleefd heb. Dan ga ik kijken en bedenken hoe
ik verder zal gaan. En ik zet Mongoolse muziek op ter inspiratie.
Beeldende kunst en muziek liggen zo dicht bij elkaar. Het gaat in beide
gevallen om lijnen, ritme, kleur en gevoel. Maar: ‘mijn’ muzikanten zijn
er niet meer. Hun plek is hen afgenomen. Gelukkig werk ik graag aan
allerlei verschillende thema’s. Landschappen waar je de aanwezigheid van
mensen kunt zien door sporen van gemaaid gras of richels in geploegd
land. En ik heb bijvoorbeeld ook twee jaar lang de afbraak en herbouw
van de Amstelbrug gevolgd. Ik ben dan op de bouw aanwezig. Heb daar wel
met 12 graden onder nul staan tekenen.
Ik heb de SOOP enkele jaren geleden leren kennen toen Ies Jacobs bij
jullie exposeerde. Ik vond het een warme ambiance en toen ik gevraagd
werd, dacht ik meteen: leuk, de SOOP, daar was het toen zo gezellig. Ik
kom dus graag naar jullie toe met ‘mijn’ boventoonzangers uit Mongolië,
in houtskool, gekleurd krijt, aquarel en olieverf.”
Interview: Janny N. Lok
INTERVIEW MET JET VIOLIER
Van dinsdag 20 september
tot en met woensdag 9 november
exposeert JET VIOLIER haar “beestenboel”
in de Gelaghkamer van de SOOP.
De feestelijke opening vindt plaats op
dinsdag 20 september om 16.30 uur.

“ Op de Akademie heb ik jarenlang model getekend en - geschilderd. Maar
ik tekende in die tijd ook al heel graag beesten. Op een gegeven moment
schilderde ik mijn mens-figuren vaak met een dierenmasker op. Later
verdwenen de mensen helemaal. Het is geen bewuste keuze geweest, het
gebeurde gewoon. Dieren boeien me enorm, er is zoveel aan te zien. Ik
ben ook altijd nieuwsgierig naar dieren, wil er alles over weten. Dieren
zijn wat abstracter dan mensen; je kunt er een beetje mee schuiven. Mijn
werk is overigens wel figuratief en ik wil ook dat het anatomisch klopt.
Mijn beesten moeten bijvoorbeeld absoluut kunnen kijken en eten. Laatst
moest ik een leeuw schilderen. Toen ben ik naar Artis gegaan om te
kijken hoe de tenen van een leeuw er ook al weer precies uitzien. Maar
als ik een uil teken bestaat zijn kop soms alleen maar uit een
driehoekje met alles er op en er aan. De vrijheid om zo te kunnen werken
voel ik meer bij dieren dan bij mensen. Ik krijg ook meer
portret-opdrachten voor paarden, katten en honden dan voor mensen. Ik
heb net in opdracht een portret van twee katten gemaakt. Het moest een
statieportret worden; in zo’n geval ga ik heel nauwkeurig te werk. Ik
zag dat bij een van de beide katten het ene oog iets blauwer was dan het
andere. Daar houd ik dan rekening mee. Kort daarvoor portretteerde ik
een hond voor een cliënt die juist wilde dat ik de opdracht vrij zou
interpreteren. Ik wist al heel jong dat ik later wilde tekenen en
schilderen. School vond ik vreselijk, maar op de Rijksakademie (voor
Beeldende Kunsten) vond ik het fantastisch. Het was een klassieke, bijna
Spartaanse opleiding; tekenen en later schilderen van negen uur ’s
ochtends tot negen uur ’s avonds. Ik heb er, vooral in de vooropleiding
bij Norbert Olthuis, ontzettend veel geleerd: heel goed kijken,
beslissingen nemen en eigenwijs zijn. Ik geef nu zelf les en probeer
diezelfde dingen op anderen over te brengen. Verder verzorg ik
illustraties, bijvoorbeeld voor ‘ Kids Gids’, een gids met alles wat er
zoal te doen is, voor kinderen tot 12 jaar. Ik vind het leuk om mijn
beesten te laten zien aan de bezoekers van de SOOP. Ik voel me erg
verbonden met deze buurt en woon er dichtbij. Bovendien ben ik geboren
in de Plantage Kerklaan, tegenover Artis. Bij mijn eerste ademtocht
hoorde ik bij wijze van spreken de leeuwen brullen!”
Interview: Janny N. Lok
INTERVIEW MET KORNELIS
(KEES) LEEUWERINK,
Mijn tentoonstelling bij jullie in
de SOOP heb ik “ Verf - Vorm - Vertaald,
schilderijen en poëzie” genoemd. Dat vergt waarschijnlijk enige uitleg.
Ik laat jullie schilderijen zien waarbij de verf op zich belangrijk is.
Mooie verfstreken fascineren mij. De verf die ik voor de schilderijen
van deze expositie heb gebruikt, heet alkyd. Het is een verfsoort, die
gedeeltelijk op basis van kunststof wordt gemaakt. Het ruikt
olieverf-achtig, wat ik prettig vind want ik houd erg van die geur.
Alkyd droogt heel snel, een groot voordeel als je zoals ik graag buiten
werkt. En verder strijkt het heel lekker uit. Op sommige schilderijen
zie je alleen maar verfstreken, terwijl ze landschappen suggereren. De
verf heeft dus direct te maken met de vorm. En dan kom ik bij het woord
vertaald. Eigenlijk ben ik meer een dichter/schrijver dan een schilder.
Al vanaf zo ongeveer mijn vijftiende ben ik bezig met schrijven. Ik
schrijf de dingen waar ik over nadenk, op. Ik noem die notities liever
niet dagboeken, maar ‘gedachtenboeken’. Mijn hele werkzame leven heb ik
dat schrijven en dichten volgehouden, hoe de omstandigheden verder ook
waren. Pas sinds de jaren negentig ben ik gaan schilderen. Heel
intensief. In die tijd ontstond bij mij de behoefte als een soort
vanzelfsprekendheid om beeld en tekst te combineren. Het woord vertaald
slaat op het feit dat ik schilderijen vaak voorzie van een
titelgedichtje. De gedichten vertellen iets over het schilderij. Ik
breng ze aan op de lijsten van de schilderijen op een naar mijn mening
aardige manier. Ik schep met de gedichten een verheldering van het
beeld. Niet alle schilderijen zijn geschikt om er een gedicht aan toe te
voegen. En de kijker moet natuurlijk ook de mogelijkheid krijgen een
eigen interpretatie aan het werk te geven. Met mijn werk wil ik graag
op de kijker overbrengen dat de uiterlijke wereld (in dit geval dus mijn
beelden en woorden) spiegels zijn van onze eigen innerlijke wereld. Ik
vind het plezierig om bij de SOOP te exposeren. Ik was een paar maanden
geleden bij de SOOP ter gelegenheid van de opening van Mieneke Karelsen’s
tentoonstelling en ik voelde me daar prettig. Het was zeer geanimeerd en
ik ontmoette veel aardige mensen. De expositieruimte is vrij klein en
heeft daardoor een zekere intimiteit. Een vriend (filosoof) van mij
opent de tentoonstelling op 6 juli. Hij gaat wat nader in op relevante
achtergronden van mij en mijn werk. Misschien lees ik bij die
gelegenheid ook nog wel iets voor uit mijn gedichtenbundels.
Interview: Janny N. Lok
INTERVIEW MET PETER MOORREES
Tekeningen (pastel) van boeketten worden geëxposeerd in de Gelaghkamer
van de SOOP van dinsdag 3 mei tot en met woensdag 6 juli 2005.
Thema van zijn expositie: “ZEG HET MET BOEKETTEN”
De feestelijke opening vindt plaats op dinsdag 3 mei om 16.30 uur.
De kunstenaar geeft bij die gelegenheid een korte toelichting op het
geëxposeerde werk.
INTERVIEW:
“ De laatste tijd ben ik veel bezig met het tekenen van bloemen en
boeketten. Het resultaat wil ik graag laten zien aan de bezoekers van de
SOOP. Weet je wat zo aardig is aan het werken met bloemen? Ze zijn zo
bereikbaar. Je kunt ze voor je neus neerzetten en ze zitten keurig stil.
Ze hebben mooie kleuren en je kunt er alles van jezelf in stoppen, wat
je maar wilt.
Ik werk met hard pastel, ook wel frans krijt genoemd. Het voordeel
daarvan is dat je lijnen en arceringen in het werk kunt aanbrengen. Ik
wil de verschillende kleuren namelijk graag kunnen blijven zien. Ik
teken zoals je al begrijpt, niet uit mijn hoofd. Ik moet het object
zien, maar geef er vervolgens wel mijn eigen interpretatie aan. De
bloemen die ik vóór me zie en de bloemen die ik teken, verschillen in
kleur,vorm en ritme. Ik merk dat ik steeds losser kom te staan van het
origineel. Een boeiende ervaring. Ik ben ook geheel onbereikbaar als ik
teken, er bestaat dan niets anders. De ruimte in de SOOP leent zich er
goed voor om met één techniek en één thema een expositie samen te
stellen. In het verre verleden heb ik een kunstopleiding genoten aan wat
nu de Rietveldacademie heet. Bepaalde eigenschappen die ik van nature al
in zekere mate bezat, zijn daar tot bloei gekomen: het goed kunnen
kijken, het gevoel voor kleuren en voor kwaliteit. Deze eigenschappen
kwamen me uitstekend van pas in mijn werkzame leven. Ik kwam terecht bij
“Weverij de Ploeg” in Noordbrabant en heb daar gewerkt van 1959 tot
1991. Een ideeël bedrijf, coöperatief georganiseerd, met als
doelstelling stoffen te maken die enerzijds aan de allerhoogste
kwaliteitseisen moesten voldoen en vervolgens tegen een zo redelijk
mogelijke prijs op de markt moesten worden gebracht. Iedereen was gelijk
en verdiende evenveel; als je getrouwd was kreeg je iets meer uit de pot
en als je kinderen had nog iets meer. In het katholieke Brabant werden
we “de Bolsjewieken” genoemd. Het had ook inderdaad iets
(salon)-communistisch. Ik heb daar diverse functies bekleed, waarvan
ruim twintig jaar het coördinatorschap van de textielcollectie. Dan moet
je denken aan het maken van kleurreeksen, het verzinnen van thema’s en
dat soort zaken. Al die jaren heb ik geen tijd en aandacht gehad voor
creatief bezig zijn. Met pensioen en terug in Amsterdam haal ik de
schade dubbel en dwars in. Ik ‘klei’ elke woensdagmiddag bij mijn
jongste dochter, die een kunstopleiding keramiek heeft gedaan en op
maandagmiddag ga ik vaak naar de Zondagsschilders. Tekenen doe ik thuis,
in volslagen concentratie. Mijn tekeningen exposeren is een nieuwe stap
in mijn huidige bestaan. Ik kijk er zeer naar uit.”
Interview: Janny N. Lok, april 2005.
MIENEKE KARELSEN
beeldend kunstenaar.
Abstracte en figuratieve schilderijen, portretten in opdracht.
Mieneke Karelsen: een ‘zelfportret’.
“ Mijn hart ligt bij de kwast”
“Toen ik klein was woonde er een tante bij ons in huis die heldervoelend
was. Op een keer zei ze tegen mij: ’jij mag een wens doen, maar je mag
‘m niet uitspreken’. Ik wenste dat ik kunstschilder of tekenaar zou
worden. Mijn tante studeerde lang in haar kaarten en meldde uiteindelijk
dat mijn wens uit zou komen, maar dat de weg lang zou zijn. Letterlijk
zei ze: ‘pas na veel tranen zul je je doel bereiken’. Nu ik zo met jou
zit te praten schiet dit incident in mijn gedachten en denk ik: ‘ze
heeft wel gelijk gehad’. Mijn grootste hobby als kind was tekenen en
bijna als een automatisme ging ik na de middelbare school naar de
Rietveld Academie. Na het eerste jaar moesten we een keuze maken uit
diverse richtingen. Ik wilde absoluut de grafische richting uit, want ik
meende op dat ogenblik zeker te weten dat mijn toekomst lag in het
illustreren van boeken. Helaas: ik werd uitgeloot. Ik mocht alle
richtingen kiezen, maar niet de grafische. Ik besloot te stoppen met de
Rietveld en iets heel anders te gaan doen. Mijn keuze viel op een
opleiding tot ergotherapeute. Gehandicapte mensen leren wat ze wél
kunnen en hen daarin trainen leek me een boeiend vak. Na de opleiding,
die ruim vier jaar duurde, heb ik met veel plezier in verschillende
revalidatiecentra gewerkt. Inmiddels was ik getrouwd en werd zwanger.
Met uiteindelijk twee kleine kinderen heb ik mijn werk als
ergotherapeute ingeruild voor potten bakken. Knoeien met klei vonden de
kinderen fantastisch. Ik legde me toe op het maken van
gebruiksaardewerk. Ging er mee demonstreren en verkopen op ‘Oude Ambacht
- markten’. En ik leverde aan cadeau-winkels. Maar mijn hart ligt
absoluut bij de kwast en toen de kinderen groter waren maakten de potten
weer plaats voor schilderijen. Die presenteerde ik aanvankelijk alleen
op kunstmarkten, later ook in kantoren en restaurants en tenslotte in
galerieën. Sinds 1976 werk ik, al dan niet in opdracht, in veel
verschillende technieken en materialen. Mijn vrije werk waar ik
regelmatig mee exposeer, vertelt over mijn leefomgeving en de
persoonlijke gebeurtenissen uit mijn leven. Onder de titel ‘Gedichten in
verf ’ laat ik van dat werk tijdens mijn tentoonstelling bij de SOOP
enkele voorbeelden zien. Daarnaast ben ik veel bezig met het maken van
portretten; dat heeft me mijn hele leven al gefascineerd. In 1998 maakte
ik een reis door Ierland. De ruïnes en de kale en tegelijkertijd zo
troostende eenzaamheid van de Burn zijn belangrijke inspiratiebronnen
voor mij geworden. Sinds die tijd komen er veel poorten en ingangen voor
op mijn schilderijen. En ze zweven altijd een beetje, die poorten van
mij. Om aan te geven dat je niet altijd over een drempel hoeft te gaan,
omdat je meent dat het aan de andere kant beter en mooier is. Want waar
je bent, daar is het. Ook hiervan wil ik de bezoekers van de SOOP graag
iets laten zien.”
Interview: Janny N. Lok
2005
Mieneke Karelsen exposeert in de Gelaghkamer van de SOOP
van woensdag 9 februari tot en met dinsdag 22 maart 2005.
De opening van de tentoonstelling vindt plaats
op woensdag 9 februari om16.30 uur. De toegang is gratis.
IRENE HERTEL

“Ik ben geboren in Hamburg, in 1940. Ik werd Irene genoemd, zoals zoveel
meisjes in die tijd. De gewone mensen in Duitsland hadden namelijk maar
één wens: vrede. Het was een slechte tijd om in zo’n grote stad te
wonen. Om wat veiliger te zijn verhuisde ons gezin naar een piepklein
dorpje in Noord-Duitsland. Daar is in 1942 mijn jongste zusje geboren.
Ik ben de middelste van drie zussen. Mijn vader zagen we zelden. Hij was
architect en bouwde barakken voor de duitse soldaten, die in Frankrijk
gelegerd waren. In 1944 kostte hem dat zijn leven. Ik weet niet eens
waar zijn graf is. Als kind voelde ik me daarna eenzaam en triest. Dat
kwam vooral omdat mijn moeder zo ongelukkig was. Ik vond haar zielig en
had altijd het idee dat ik haar een beetje blij moest maken. Dat was een
zware druk op mijn kleine schouders. We waren arm, maar dat gold voor
heel veel gezinnen, want heel veel vaders kwamen niet terug. Het enige
dat ik leuk vond in mijn jeugd was knutselen, tekenen en schilderen. Op
de lagere school verveelde ik me nogal en dan zat ik graag tekeningetjes
te maken of gedichtjes te schrijven. Mijn moeder vond het geen goed idee
dat ik een creatieve opleiding kreeg. Ze was bang dat ik daarmee geen
boterham kon verdienen. Toen ik achttien jaar was gingen we terug naar
Hamburg. Daar heb ik een opleiding voor kleuterleidster gevolgd. In dat
vak kon ik mijn creativiteit goed gebruiken, dat was een aardige
bijkomstigheid. Maar ik voelde me dood ongelukkig in die verminkte stad.
Ik wilde daar weg en toen ik een advertentie las waarin kleuterleidsters
werden gezocht voor Afrika, heb ik zonder aarzelen gesolliciteerd. Twee
jaar heb ik geprobeerd Keniaanse meisjes op te leiden tot
kleuterleidster. Een paar dorpjes van mij vandaan werkte een nederlandse
jongen. Je begrijpt het al. We werden verliefd. Met deze jongeman ben ik
teruggereisd. Naar Amsterdam. Ik werd minstens even verliefd, misschien
nog wel erger, op Amsterdam. Daar was leven op straat, daar gebeurde van
alles. In vergelijking met Hamburg was Amsterdam voor mij een paradijs.
We trouwden, kregen twee dochters (in 1971 en 1973) en woonden in een
prachtig huis in de Plantage-buurt, waar ik nu nog steeds woon. Het
huwelijk liep stuk en we gingen scheiden. Voor mij de start van een
nieuw leven. Ik werd gedwongen de nederlandse taal goed te leren en veel
onafhankelijker te worden dan ik tot dat moment was. Ik heb eerst mijn
VWO-diploma gehaald. Daarna ben ik tekenen en schilderen gaan studeren
aan wat toen de Hogeschool van de Kunsten heette. Kleuterleidster kon ik
in Amsterdam niet worden; het aanbod was groot en mijn (Duitse) diploma
werd niet erkend. Ik genoot van mijn vrijheid. Alle restjes eenzaamheid
en verdriet die nog in me zaten, verdwenen langzaam aan. We hadden het
niet breed, maar we waren gelukkig. Amsterdam was heel tolerant in die
tijd. Ik voelde me geaccepteerd. Ik mocht zijn wie ik was. Dat zou in
Hamburg in mijn omstandigheden nooit hebben gekund. Ik overleefde ook
nog een akelige ziekte en uiteindelijk werd ik op mijn vijftigste de
trotse bezitter van het diploma tekenen en schilderen van de Hogeschool
van de Kunsten. Ik ben thuis les gaan geven. Individueel en in groepjes.
Niet alleen in tekenen en schilderen, maar ook in kunstgeschiedenis. En
ik heb vrij veel tentoonstellingen. Doe mee met Open Ateliers in de
Nieuwmarkt en de Plantage. Dit jaar heb ik de Plantage Open Ateliers mee
georganiseerd. Hetzelfde geldt voor de “Doksalon”. En de Vrienden van de
Plantage hebben recentelijk een zeefdruk van mij gekocht voor degene die
de eerste prijs kreeg bij het ‘ Plantage Poëzie Festival’. Door mijn
lidmaatschap van de kunstenaarsvereniging ‘de Onafhankelijken’ ontmoet
ik veel colle
ga’s. Dat is belangrijk voor mij, want schilderen is toch
een eenzaam beroep. Ik houd van kleinschaligheid. Daarom vind ik het ook
zo leuk mijn werk tentoon te stellen bij de SOOP. Ik ken de SOOP al veel
langer, was jaren geleden jullie allereerste exposant. Toen de lerares
tekenen van de SOOP door ziekte tijdelijk niet beschikbaar was, heb ik
haar vervangen. Zoiets vind ik ook leuk om te doen. Natuurlijk is het
prettig als mensen mijn werk willen kopen, maar ik ben ook blij als het
kijken er naar emoties oproept. Laatst zei iemand tegen mij: ‘ik zag een
schilderij van jou en ik moest glimlachen’. Met zo’n opmerking kan ik me
intens tevreden voelen”.
Interview: Janny N. Lok, november 2004.
|
| |
|
Klik op de naam voor het
interview met:
Margarite Luitwieler
Josée Voormans
Alie
Roest/Els Martelhoff
Bep
Rudelsheim
Carla van Riet
Rik Eijlders
Maruth Kleerekoper
Nella Montfoort
Smitskovács
Ans van de Scheur
Sylvia van Berkel
Els Kramer
Rob Metz
Geertje Aukema
Eddy Varekamp
Peter de Leeuwe
Ronalda Boddé
Nils Wieland
Els Scholten
Evert van Barneveld
Rijk van den Hoek
Sonja Dwinger
Hans Gritter
Jeanne Wesselius
Josua de Jong
Elsbeth Nieland
Rob Brandes
Jos Dijkman
Jet Violier
Kees Leeuwerink
Peter Moorrees
Mieneke Karelsen
Irene Hertel |
|